Kernenergie? Wat brengt het ons???

Welke bijdrage levert kernenergie aan de duurzame energie voorziening

‘We hebben kernenergie hard nodig om te voldoen aan de energievraag en aan het klimaatakkoord’, aldus de VVD nog niet zo lang geleden. Er moeten maar liefst tien kerncentrales komen in Nederland. Kort daarop verklaarde VVD-minister Wiebes aan de hand van een onderzoek dat vanuit het ministerie was georganiseerd, dat dit het VVD-standpunt onderschrijft.

De lobby voor kernenergie voert als belangrijkste argumenten aan: bij de productie van elektriciteit uit kerncentrales vindt geen CO2 uitstoot plaats;  het beperkt hoge kosten voor energiebesparende maatregelen en duurzame energieopwekking;  het zou ook ‘toekomstbestendig’ zijn. Kortom, kernenergie zorgt ervoor dat de CO2 doelstelling wordt gehaald. Ik verbaas me over de pleidooien voor nieuwe kerncentrales en heb om me een actueel beeld kunnen vormen de informatie weer eens bij elkaar gezet.

Klimaatcrisis  

De maatschappelijke en economische gevolgen van de mondiale Klimaatcrisis zorgen voor het besef dat we duurzamer moeten gaan leven. Duurzaam wil hier zeggen dat de mens in zijn behoeften voorziet zonder natuurlijke bronnen uit te putten en zijn leefmilieu, zwaar of onherstelbaar te belasten.

Nederland stelde met 192 lidstaten van de Verenigde Naties (VN) de Sustainable Development Goals vast. Daarin beloven de ondertekenaars dat ze een einde willen maken aan extreme armoede, ongelijkheid, onrecht en klimaatverandering. 

Niet duurzaam

Het proces waarbij elektriciteit uit kernenergie wordt geproduceerd is heel verslindend. Bij elke stap in het proces  worden veel, uiteenlopende, grondstoffen en materialen gebruikt. Het leidt ook tot uitputting van natuurlijke bronnen en brengt leefmilieu onherstelbare schade toe. Het winnen, vervoeren en bewerken van tientallen miljoenen tonnen uraanerts, in meerdere fabrieken, veroorzaakt grote uitstoot van CO2. Beheer en onderhoud van de installaties dragen ook sterk bij aan CO2 emissies. Alleen al door de uitstoot van zoveel CO2 heeft de opwekking van elektriciteit uit kernenergie een serieus, negatief, effect op het oplossen van de klimaatcrisis. 

Kernenergie voldoet zo allerminst aan de eisen van het predicaat  ‘duurzaam’.

Kernenergie…? Veel CO2 – uitstoot

Door de vele stappen en fasen van de kernenergiecyclus is de exacte CO2 uitstoot van kernenergie moeilijk berekenen. Het IPCC klimaatrapport (VN 2014) noemt een gemiddelde van 12 gram CO2 per kWh. Onderliggende rapporten berekende een uitstoot van 65 gram CO2 per kWh (Lenzen) en 12 tot 110 gram (Warner en Heath). Zij menen dat door onvolledigheid van studies de uitstoot waarschijnlijk hoger is.

Energie-analist Storm van Leeuwen komt door nauwkeurige analyse van meerdere studies voor kernenergie tot een uitstoot van CO2 per kWh van 65 tot 178 gram bij erts met 0,1% uranium. Bij erts met slechts 0,02% uranium is de emissie 300 gram CO2 per kWh.

Afgesproken is dat de CO2 uitstoot in 2050 tot nul moet zijn teruggebracht. Dus dan is 300 gram CO2 per kWh fors, zeker ten opzichte van andere opties zoals uit bijgaande tabel blijkt.

Totale (directe en indirecte) CO2-uitstoot in gram per kilowattuur    

Brandstof                                         Uitstoot

Steenkool  820
Olie  740
Aardgas  490
Uranium ertsgehalte 0,02%  300
Uranium ertsgehalte 0,1%  178-65
Steenkool met afvang CO2  110
Aardgas met afvang CO2    78
Zon    48
Wind    10-12

Bron: wise nederland

Kortom: kernenergie, duurzaam en zonder CO2 uitstoot? Een illusie!

Goedkope elektriciteit?

Volgens voorstanders van kernenergie leveren kerncentrales ‘goedkope’ elektriciteit. Zo is kernenergie een reëel alternatief voor dure energie uit zon en wind. Dit moet de mensen overtuigen, die vanwege ‘exorbitante kosten’ energiebesparing en duurzame energie afwijzen.  

Hoe reëel is die aanname van ‘goedkope kernenergie’ voor de burger eigenlijk?

Bij alle ingrijpende ruimtelijke en maatschappelijke plannen zoeken ambtenaren naar de meest aanvaardbare oplossing. De kosten voor analyses, onderzoeken, wetenschappelijke ondersteuning, rapportages en vergunningenprocedures betaalt de overheid. Bij complexe projecten die veel onzekerheden kennen nemen deze kosten exponentieel toe. Die complexiteit en onzekerheid geldt zeker voor kerncentrales. Zo zorgen plannen voor kerncentrales meteen al voor hogere kosten dan voor grootschalige windparken of zonneweiden, waarvan de relevante onderzoeksvragen bekend zijn.

Onzekerheid, onduidelijkheid en angstgevoelens over uitkomsten van onderzoeken bij ingrijpende projecten tasten de gezondheid en levensgeluk van vele burgers aan. Maatschappelijke, medische en zorgkosten komen direct of indirect voor rekening van de burger.

Garantie van de overheid

Bouwers en exploitanten van kerncentrales kunnen geen aansprakelijkheidsverzekering afsluiten. Overheden garanderen alle kosten en gevolgen van bouw, exploitatie en ontmanteling van centrales. De overheid functioneert als “verzekeringsinstantie”. Gaat er iets mis dan is het steeds “rekening overheid”. Dus uiteindelijk weer de burger.

De kosten voor de sloop van kerncentrales zijn onzeker. Is tijdens de exploitatieperiode onvoldoende  gereserveerd dan zijn die extra kosten voor de overheid die deze verhaalt op de burger.

Hetzelfde geldt voor de kosten voor tijdelijke en definitieve opslag van kernafval. Als er onvoldoende voor is gereserveerd komen die kosten direct ten laste van de overheid en dus voor rekening van de burger….

De rentabiliteit van bestaande kerncentrales

De economische denktank Deutsches Institut für Wirtschaftsforschung lichtte alle 674 kerncentrales door. Het instituut concludeerde dat kernenergie nooit ergens winstgevend was en dat ook niet zal worden. Op een levensduur van 40 jaar werd gemiddeld €5 miljard verlies geleden. De tekorten werden door subsidies afgedekt. Kerncentrales zijn niet bedoeld om op commerciële basis elektriciteit te leveren maar om de productie van kernwapens mogelijk te maken. ‘Om die reden was en blijft kernenergie onrendabel om in de energiebehoefte te voorzien’

Frankrijk brengt kernenergie vóór 2035 terug van 75% naar maximaal 50% en stopt ook al het onderzoek.

De kosten voor ontmanteling en sloop.

In 2016 stelde de Europese Commissie in het Nuclear Illustrative Programme, (PINC) dat €45 tot €50 miljard nodig is om de 129 werkende Europese kerncentrales tot 2030 in bedrijf te houden. Dit is bijzonder want Frankrijk schat tot 2030 nog ongeveer 100 miljard te moeten investeren in haar 58 kerncentrales.

In de EU zijn 89 kerncentrales gesloten en zijn er maar drie helemaal afgebroken, waardoor er weinig ervaring is met de ontmanteling. De Europese Commissie berekent dat het ontmantelen van Europese kerncentrales en de opslag van het radioactief afval tot 2050 ruim € 250 miljard kost.

Voor de sloop en berging is nu circa €130 miljard gereserveerd en is het tekort tot 2050 al €120 miljard.  Dat bedrag zal oplopen omdat de meeste landen pas na 2050 gaan investeren in definitieve bergingen.

Daarmee schuiven we het probleem van de definitieve opslag van kernafval door naar de volgende generaties. En we presenteren hen de bijbehorende ongedekte rekening van tientallen tot honderden miljarden euro’s.  

Kernenergie, waterslorper ‘

Energiecentrales staan altijd bij rivieren of aan zee omdat ze enorme hoeveelheden koelwater gebruiken. Een gascentrale verbruikt al gauw 2,5 miljoen liter koelwater per minuut, een kerncentrale 3 keer zoveel. Meerdere energiecentrales langs een grote rivier leidt stroomafwaarts tot oplopende watertemperaturen. Het warme koelwater verhoogt de temperatuur van de watermassa, waardoor het zuurstofgehalte afneemt en mineralen oplossen. Dit leidt tot aantasting van het ecosysteem van de watermassa en schadelijke algengroei.

Tijdens recente droge en warme perioden moesten in Europa en Amerika, door gebrek aan koelwater, kerncentrales tijdelijk worden stilgelegd. De maximale temperatuur van koelwater is 25°C en koelwater mag bij lozing, afhankelijk van het land, niet warmer zijn dan 28 tot 35°C.

Bij energie uit zon en wind is geen koelwater nodig is. Zonne-energie levert juist in droge zomers extra veel elektriciteit op. In Duitsland leverden in juli 2018 PV-panelen met 6,7 terawattuur meer energie op dan ooit en ook meer dan kerncentrales en wind samen. Daarmee kon het wegvallen van de energie uit de kerncentrales, die vanwege koelwater tekorten waren gesloten, simpel worden gecompenseerd en opgevangen.

Waterstress

De Universiteit Leiden wees in ‘Klimaatverandering en de kwetsbaarheid van elektriciteitsopwekking elektriciteitsopwekking voor waterstress in de Europese Unie’ op de forse groei van de kwetsbaarheid van regionale energienetwerken in 2030. Regio’s met een problematische watervoorziening lopen niet alleen risico’s door watertekorten, maar ook door energietekorten op de momenten dat kerncentrales niet meer voldoende kunnen worden gekoeld .

Deze regio’s bevinden zich vooral  in het Middellandse Zeegebied, rondom de Rijn en zelfs in Bulgarije, Polen, Zweden en Zwitserland was er in 2019 al sprake van een tekort aan koelwater. Kerncentrales zijn een slokop van water en passen door hun enorme verbruik van koelwater niet in de plaatjes van de toekomst waarin warme perioden en droogte overheersen en minder water beschikbaar is.

Kortom: kernenergie is niet duurzaam, niet CO2-vrij, duur en een waterslorper.        

De oplossing:

Het enig juiste energiebeleid begint met maatregelen om snel en fors te besparen op grondstoffen én energie. Het winnen, bewerken en transporteren van, vaak beperkt voorradige, grondstoffen zorgen immers ook voor CO2 emissies.  Vanwege het wisselend aanbod van energie uit duurzame bronnen vormt opslag van energie de onmisbare schakel voor een succesvolle energietransitie. Via opslagsystemen kan steeds voldoende duurzame energie beschikbaar zijn. Vervolgens worden alleen die vormen van energiewinning ingezet met de laagste CO2  uitstoot, zoals zon en wind. Bij die opslag moet de keuze vallen op díe systemen waarbij het gebruik van grondstoffen tot een minimum beperkt blijft.

Helaas is de korte termijn leidend

Nederlanders baseren hun bezwaren tegen veranderingen vaak op ‘financiële argumenten’. Aannames en beweringen over kosten van energiebesparing en efficiënte installaties bepalen het ‘voor’ of ‘tegen’. De investeringskosten worden vooral beoordeeld op financiële effecten op de “korte termijn”. De revenuen op langere termijn blijven onbesproken en ook de positieve effecten op gezondheid, wooncomfort, energierekening en klimaat blijven buiten beschouwing. Daardoor wordt de daling van maatschappelijke kosten, voor ziekten en zorg, die zich pas op langere termijn voordoet, ook niet in de afwegingen betrokken. De ‘terugverdientijd’ speelt hierbij vaak de doorslaggevende rol. Frappant is dat bij een nieuwe badkamer, keuken, bankstel of auto niemand de vermaarde ‘terugverdientijd’ meeweegt.  

Meer onafhankelijkheid door “eigen” collectieve systemen

Door achterhaalde informatie blijft men energiebesparende maatregelen te duur vinden en weet men door gedateerde kennis niet dat de prijs van duurzame energie, zónder subsidie of fiscale voordelen, vaak al lager is dan die van fossiele energie. Maar de kostbare verzwaring van energienetwerken dreigt de komende jaren voor grote financiële verrassingen te gaan zorgen. Hoe aantrekkelijk zal het dan zijn om talloze individuele privé installaties te voorkomen door “als collectief” een gezamenlijk opslagsysteem te realiseren. 

Samen met buurtbewoners of ondernemers wordt een ‘’Vereniging van Eigenaren Opslagsysteem” opgericht die ervoor zorgt dat in en voor de eigen woonbuurt, bedrijventerrein of kantoorpark een opslagsysteem, met een minimale milieubelasting, wordt gerealiseerd en beheerd.

Het optimaal opwekken van duurzame energie en de schaalvoordelen van het collectief opslagsysteem garanderen dat men permanent, dag in dag uit, over voldoende duurzame energie kan beschikken. Iedereen wordt dan mede-eigenaar van het systeem, betaalt een vaste bijdrage die is gebaseerd op tijdscyclus, productie en verbruik en is onafhankelijk van de grillen en de prijzen van “netbeheerders”.

Iedereen heeft dan door zijn gedrag de volledige kosten voor zijn energiegebruik volledig in eigen hand!

Meer gezondheid met minder energie

1.      Leefbaarheid (habitat) van mens, dier en plant verschraalt

De oplopende concentratie van vooral COin de lucht (broeikasgassen in de atmosfeer) leidt tot een klimaatverandering als gevolg van een gestage opwarming van de aarde. Dat heeft flinke consequenties voor de leefbaarheid van mens, dier en plant. Grote gebieden worden door te hoge temperaturen, te weinig neerslag, hevige stormen of frequente overstromingen, steeds meer onleefbaar. Wereldwijd verschraalt de biodiversiteit. Het leven van miljoenen mensen zal door een afnemend leefgebied onomkeerbaar veranderen. Zowel op regionale als mondiale schaal ontstaan enorme humanitaire problemen op het gebied voeding, water, gezondheid en bestaansmogelijkheden. Verwacht wordt dat grote stromen van miljoenen vluchtelingen op gang komen. Mensen trekken, als milieuvluchteling – en onschuldig aan de oorzaken van alle ellende – massaal weg uit de gebieden die langzaam maar zeker onleefbaar worden.

2.      Internationale afspraken ter beperking negatieve consequenties broeikasgassen

In de zeventiger jaren van de vorige eeuw werd internationaal onderkend dat de opwarming van de aarde afgeremd diende te worden. Daartoe zijn door 197 landen internationale klimaatafspraken gemaakt om de ongewenste gevolgen van klimaatverandering te voorkomen.

Broeikasgassen (als CO2 en waterdamp) zorgen er voor dat de warmte van de zon op aarde wordt vastgehouden en dat de aarde voor mens, dier en plant leefbaar is. Te veel broeikasgassen houden te veel warmte vast en warmen de aarde te veel op. Met alle nadelige  klimaatgevolgen van dien (zoals stijging zeespiegel, hevige regenbuien, meer hittegolven, grote droogtegebieden).

Broeikasgassenemissie ontstaat vooral door het gebruik van fossiele brandstoffen en grondstoffen, maar ook door gebruik van procesmiddelen in industrie (koolwaterstoffen en lachgas) en landbouw (methaan). Klimaatbeleid is vooral te beïnvloeden door ons energiebeleid. Vraag en aanbod aan energie hebben grote invloed op ons klimaat.

In 1995 is in Parijs een internationaal klimaatakkoord afgesproken waarbij 195 landen emissiereductie doelen moeten stellen, die steeds strikter worden. In het definitieve klimaatakkoord van Parijs is afgesproken om het internationale klimaatbeleid te richten op een beperking van de mondiale temperatuurstijging tot ruim onder de 2oC, met een streven naar maximaal 1,5oC. De mondiale doelstelling is in Parijs zelfs nog aangescherpt met het streven naar maximaal 1,5oC temperatuurstijging.

Een zeer belangrijke oorzaak en bron voor de toename van CO2 is het gebruik van fossiele brandstoffen. Een logische consequentie is dat het gebruik van fossiele brandstoffen flink wordt teruggeschroefd.

3.      Voorraden fossiele brandstoffen zijn eindig

Lange tijd is de relatie tussen de opwarming van de aarde/toenemende concentratie van CO2 in de atmosfeer en het gebruik van fossiele brandstoffen genegeerd/ontkend/gebagatelliseerd. De hele wereld gebruikt voor verwarmen, koelen, transport en producten en productieprocessen fossiele brandstof. Het was gemakkelijk en in verschillende vormen beschikbaar en op diverse manieren toepasbaar.

In het recente verleden is wel duidelijk geworden dat de voorraden van de uiteenlopende fossiele brandstoffen wel degelijk eindig zijn en dat daardoor de beschikbaarheid en betaalbaarheid niet meer is te garanderen. En omdat niet overal ter wereld voorraden van fossiele brandstoffen beschikbaar zijn, wordt er hevig gehandeld in deze producten. De beïnvloeding van levering, prijs en beschikbaarheid worden ingezet als wapen/drukmiddel bij geopolitieke conflicten of kapitalistische ambities.

4.      Oliecrisis 1973 bracht keerpunt

Nederland werd door de oliecrisis in de jaren 70 gedwongen maatregelen te treffen om het gebruik van olie en ook andere energiebronnen, zoals aardgas, direct terug te dringen. Er werd opgeroepen om het gebruik van olie en gas voor het verwarmen van woningen en gebouwen te verminderen.

De kierenjacht vormde in die jaren de basis voor de isolatie maatregelen. Als gevolg van die kierenjacht ontstonden er in de woningen problemen met vocht en schimmel en nam de kwaliteit van de lucht binnen – door onvoldoende frisse lucht – af. Voldoende gereguleerde ventilatie ontbrak. Isoleren kreeg een negatieve klank.

Het duurde nog vele jaren voordat het beperken van fossiele brandstoffen door het isoleren van woningen in de bouwregelgeving werd opgenomen.

5.      Relatie vraag naar fossiele energie en klimaat werd pas laat ‘ontdekt’

In de jaren 70 was er – buiten de wetenschappelijke wereld – weinig bekend over de relatie tussen het gebruik van fossiele brandstoffen en de CO2 uitstoot. Dat verklaart dat in de bouwwereld en de bouwregelgeving van de overheid, de relatie tussen de vraag naar fossiele brandstoffen voor bijvoorbeeld verwarming en gevolgen voor het klimaat nog helemaal niet werd gelegd.

Het duurde tot 1992 toen in het Bouwbesluit – gebaseerd op NEN 1068 uit 1964 (!!!) – voor het eerst rekening werd gehouden met een energieprestatienorm (energetische kwaliteit van gebouwen). Het beperken van warmteverliezen werd vastgelegd met een eis voor de warmteweerstand, de Rc-eis.   Deze eis werd voor bouwdelen gebracht op 2,5 m²K/W  (N.B.: warmtedoorgangscoëfficiënt wordt uitgedrukt in W/m2K).

In december 1995 kwam de Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC) in het Bouwbesluit en moesten nieuwbouw woningen voldoen aan de EPC-eis van 1,4. Die eis werd in 20 jaar, stapsgewijs verlaagd in 1997 (1,2), 2000 (1,0), 2006 (0,8), 2011 (0,6) en 2015 (0,4).

6.      Meer installaties minder isolatie wreekt zich op termijn

Bij het vaststellen van de EPC werd in de rekenmethode aan goede isolatie minder ‘rekenwaarde’ toegekend dan aan het installeren van allerlei technische installaties. ‘Hoe meer installaties, des te beter’ leek het devies. Er werd geen rekening gehouden met het jaarlijkse verbruik, het onderhoud en zeker niet met de kosten van de op termijn noodzakelijke vervanging. Het gebrek aan goede en voldoende isolatiemaatregelen kon met het installeren van enkele PV panelen simpel rekenkundig worden gecompenseerd. Met als gevolg slecht geïsoleerde huizen vol dure en energievretende installaties.

Wat is een passiefhuis?
Ontwikkeling in beeld bron: Stichting PassiefBouwen

De EPC eis, bedoeld als ondergrens, werd door veel opdrachtgevers en bouwers direct  als maximale verplichting gezien. Door ‘onvolkomenheden in de ontwerpen’ en door ‘slordigheden en fouten tijdens de bouw’, bleken en blijken woningen en andere gebouwen na oplevering nog steeds vaak meer energie te verbruiken dan ‘op papier’ was berekend en waarvoor de vergunning was afgegeven.

Pas na 10 jaar wordt in 2012 dan eindelijk de Rc-eis voor bouwdelen verhoogd van 2,5 naar 3,5 W/m2K. En in 2015 volgt de invoering van de gedifferentieerde thermische isolatie-eis met een Rc voor de vloer van 3,5 W/m2K, voor de wanden een Rc van 4,5 W/m2K en voor het dak een Rc van 6,0 W/m2K. Ondanks de toegenomen kennis en inzichten, de ontwikkeling van allerlei nieuwe producten en materialen, veranderingen in ontwerpen en processen blijft in de nieuwbouw het verbruik van energie voor verwarmen en koelen hoog.

En dat duurt nog even. Want de eisen voor een ‘Bijna Energie Neutraal Gebouw’ (BENG) worden pas per januari 2021 van kracht en pas vanaf dat moment moeten alle nieuwbouwwoningen voldoen aan die BENG eisen. Maar helaas is in het verleden gebleken dat nieuwe, verdergaande eisen geen garantie vormen voor een dalend energieverbruik. Ook een strikte toepassing van de BENG eisen leidt niet automatisch tot woningbouw waarin het energieverbruik voor verwarmen en koelen nadert naar nul.

7.      Inhaalslag voor energiezuinige woningen met gezond binnenklimaat

In het verleden is de bouwsector er, in samenwerking met de installatiebranche, steeds in geslaagd om de invoering van strengere eisen, die zouden moeten leiden tot een lager energieverbruik in woningen, te traineren. En zolang het winnen van aardgas zonder problemen verliep en het een aardige bron van inkomsten voor de staat vormde, vond men in Den Haag een willig oor voor de ‘overwegingen’ en werd gewoon toegegeven.

Het is wrang dat beleggers, corporaties en woningeigenaren alsnog flink aan de bak moeten om de gevolgen van deze schijnwinst te herstellen. Zeker als je bedenkt dat er – met name in Duitsland – al eind jaren 90 zogenoemde passiefhuizen verschenen.

8.      PassiefHuis biedt energiezuinigheid, comfort én gezond binnenklimaat

PassiefHuizen zijn energiezuinige woningen met een comfortabel en gezond binnenklimaat. Dit wordt bereikt door de isolatie van vloer gevel en dak te versterken.
(warmteweerstand Rc-vloer ≥ 6,5, Rc-gevel = 8 en RC-dak = 10 W/m2K).

Door deze versterkte isolatie is het energieverbruik voor verwarming 10 keer lager dan de bestaande woningvoorraad en 4 tot 5 keer lager dan onze huidige nieuwbouw woningen. Het totale energieverbruik voor verwarmen en koelen is maximaal 15 kWh/m2 ofwel 1,5 m3 aardgas per m2 vloeroppervlak. Een haarföhn is dan voldoende om een passiefhuis van 100 m2 vloeroppervlakte te verwarmen. De totale primaire energiebehoefte voor alle apparaten in huis van keukengerei, ventilatie, verlichting inclusief warmwater, verwarmen, koelen samen is 120 kWh/m2.

Bestaande woonvoorraad

Met de bestaande materialen en bouwsystemen is dit concept ook geschikt en haalbaar voor de aanpak van de bestaande woningvoorraad. Het leidt tot vermindering van de vraag naar energie voor verwarmen en koelen met maar liefst 90%.

Nieuwbouw

Bij het bouwen volgens de passiefhuis eisen wordt in ieder geval probleemloos voldaan aan de verplichte BENG eisen voor nieuwbouw die vanaf januari 2021 van kracht zijn.

Renovatie

Het vooraf bedenken wat er gedaan moet worden om verbruik van energie blijvend te minimaliseren, onder het motto  ‘voorkomen is beter dan genezen’, geheel in de lijn van de Trias Energetica is natuurlijk ook bij renovaties van de bestaande woningvoorraad mogelijk. Bestaande woningen renoveren tot een ‘passiefhuis standaard’ kan (en zal vermoedelijk ook) een hogere investering vergen dan de traditionele renovatie.

Betaalbaarheid via MKBA

Betrek bij het beoordelen van de omvang van de investeringen de ‘Total Costs of Ownership’ (TCO) en de opbrengsten van het verlengen van de levensduur en het beperken van het gebruik van energie en water in de afwegingen. Bereken ook de effecten van het ombouwen van bestaande woningen tot woningen met een echt gezond binnenklimaat. Betrek in die berekeningen niet alleen de afgeleide voordelen en besparingen op het gebied van milieu, klimaat (mitigatie én adaptatie) en het behoud van sociale cohesie, maar vooral ook de minder wordende kosten van (gezondheids-)zorg en welzijn.

Zo’n ‘Maatschappelijke Kosten Baten Analyse’ (MKBA) kan voor de (rijks-) overheid een goede reden vormen om het ‘passiefhuis’ en het renoveren en ‘isoleren naar passiefhuisniveau’ actief te promoten en mogelijk te maken. Dat kan bijvoorbeeld met fiscale maatregelen en garantstellingen voor de betaalbaarheid van de werkzaamheden voor de eigenaar/bewoners en marktpartijen.

9.      Nabeschouwing

Uitgangspunt in de discussies dient niet langer te zijn: ‘we moeten van het gas af, dus hoe gaan we nu verwarmen en koelen’.

Centraal staat de vraag ‘welke maatregelen moeten we treffen om het gebruik van energie fundamenteel en structureel te minimaliseren en voor alle woningen een gezond binnenklimaat te garanderen’. 

Als de maatschappelijke, technische en financiële impact (bij iedereen) bekend is, weten we ook welke wet- en regelgeving er moet komen voor een haalbare implementatie van die maatregelen. Gegarandeerd dat de vraag naar energie daardoor zo afneemt dat een aansluiting op een gasnet (met Russisch gas of waterstofgas) of een warmtenet helemaal niet meer realistisch is. Dan gaan we allemaal graag en met een gerust hart “van het gas af”.

Niet de belangen van de leveranciers van apparatuur en/of netwerken en/of software moeten leidend zijn, maar de belangen van de bewoners van Nederland. En die zijn, direct en indirect, het meest gebaat bij gezonde, comfortabele woningen en lage woonlasten.

Buurtverjonging en vervangende nieuwbouw voor ouderen

INLEIDING

De vraag naar nieuwe betaalbare woonruimte is groot. Om aan die vraag te voldoen isonontkoombaarnieuwbouw nodig.Maar nieuwe woningen bouwen,die voldoen aan allerleieisen op het gebied vanalleenlicht, lucht, energie en watergebruik,is niet voldoende. Voor echte aantrekkelijke woonruimte zijn allerlei voorzieningen in dedirecte omgeving noodzakelijk. Uiteraard zijnde routes naar die voorzieningenkort, direct, veilig en goed begaanbaar. Uitbreiden aan stadsranden is niet zaligmakend. Om snel aan de vraag te voldoen worden grote projecten gepland in nieuwbouwwijken in weilanden aan de rand van steden. Dit gebeurt onder het mom van efficiëntie, snelheid en kwantiteit.Vanuit meer fundamentele inzichten (beperken van energie, drinkwater en grondstoffen om te komen tot een circulaire economie) is het verder uitbreiden aan de stadsranden zeker niet zaligmakend.

Het uitdijen van de stad door nieuwe veraf gelegen woonwijken vereist extra ruimte, materiaal en investeringen voor de aanleg van wegen, infrastructuur, openbaar groen, gemeenschappelijke gebouwen (sport/onderwijs/zorg) en retail-locaties. Dergelijke woonwijken leiden immers tot lange transportleidingen, (incl. voorzieningen als pompen), voor water, elektra, riolering en data. En dat vereist nog meer materiaalgebruik, hogere vervangingsinvesteringen en forsere onderhoudskosten.

Bovendien gaat dat gepaard met een hoger energiegebruik dat alleen al nodig is om de (leiding-)infrastructuur sowieso te kúnnen gebruiken. Na oplevering van dergelijke nieuwbouwwoningen zijn de bewoners permanent aangewezen op lange transportlijnen en hebben zij dus hoge kosten voor mobiliteit naar werk, school, winkels en andere voorzieningen(zorg/cultuur/sport/recreatie).

Woning voldoet lang niet altijd aan leeftijdsgebonden behoefte

Zoals overal bestaat, zeker in de stedelijke gebieden, een groter wordend deel van de bevolking uit mensen in de pensioengerechtigde leeftijd. Veel van deze bewoners bewonen, vaak met geringe kosten voor de restant hypotheek, een eengezinswoning met meerdere slaapkamers en een eigen tuin. Door maatschappelijke ontwikkelingen en politieke keuzes zijn zij genoodzaakt zo lang mogelijk zelfstandig in hun woning te blijven en daar oud te worden.

Natuurlijk weet iedereen, de nationale en gemeentelijke politici incluis, dat ouder worden bij velen gepaard gaat met toenemende fysieke problemen. Dan is het nodig om de obstakels, die een lang en veilig verblijf in de weg staan, weg te nemen. Hoe futiel die obstakels, in de ogen van iemand zonder beperking, ook zijn. Debereidheid bij gemeenten en corporaties, om de kosten voor aanpassingen van die woningen (mee) mogelijk te maken, blijkt beperkt te zijn en is bovendien slechts moeizaam af te dwingen. Helaas zijn het juist ook die vaak oudere bewoners die na een valpartij met botbreuken (heup en pols) en hersenletsel op de spoedeisende hulp terecht komen. In 2018 waren dat 75.000 mensen. Voor 4396 personen bleek de val zelfs fataal. Struikelen over drempels, uitglijden in de badkamer, maar vooral een val van de trap zijn de belangrijkste oorzaken. Na een valpartij konden zo’n 10.000 mensen niet meer naar hun woning terug en moesten zij in een verpleeghuis worden opgenomen.

Vooral ouderen, die zich bewust zijn van hun fysieke beperkingen en chronische klachten, willen best overwegen om te verhuizen. Een praktisch ingedeelde woning, alles gelijkvloers en iets kleiner,met een minimum aan onderhoud, zicht op gebruiks- en kijkgroen maar zonder eigen tuin scoort dan hoog. Maar een aantrekkelijke woning alleen is niet voldoende om ouderen tot verhuizen te verleiden. Zo’n nieuwe woning wordt voor hen pas echt aantrekkelijk als er in de directe nabijheid, dus op loopafstand, voldoende voorzieningenaanwezig zijn (winkels, zorg, openbaar vervoer, cultuur). Maar het meest overtuigend is het, wanneer zo’n woning in de eigen vertrouwde buurt staat en de sociale contacten blijven bestaan en men de bekende voorzieningen kan blijven gebruiken.

Naast deze emotionele argumenten en afwegingen zijn er natuurlijk ook financiële aspecten die een rol spelen. Vaak blijkt de hoogte van de woonlasten in de nieuwe woning ten opzichte van de woonlasten in de bestaande woning een doorslaggevende reden om al dan niet te verhuizen. De overgang van een eigen woning -met minimale hypotheeklasten en wat hogere energielasten- naar een woning in de vrijesector huur, is financieel onoverkomelijk. Voor huurders van sociale woningen is die overgang in financieel opzicht vaak makkelijker te maken, als de corporatie dat soort woningen aanbiedt.

De wens ouderen, ondanks toenemende gezondheidsklachten zo lang mogelijk zelfstandig ‘thuis’ te laten wonen vraagt ook om een reeks maatregelen die dat mogelijk moeten maken. Een daarvan is om in bestaande wijken specifieke gestapelde nieuwbouw te realiseren voor mensen uit diezelfde wijk die hun grote, relatief veel onderhoud vergende, onpraktische verdiepingswoning wel willen inruilen.

Slim inbreiden met selectieve sloop biedt vele kansen.

Omdat groen en open ruimten in een bestaande wijk, vanwege de gewenste leefbaarheid, niet ongestraft voor nieuwbouw kunnen worden opgeofferd, ligt het voor de hand, ruimte te creëren door planmatig, groepjes woningen, dicht bij concentraties van voorzieningen, te slopen en op die locaties specifieke en uitgekiende gestapelde nieuwbouw te realiseren.

Ten tijde van de wederopbouw zijn er in de toenmalige nieuwbouwwijken, in zogenaamd stempelstramien, in korte tijd talloze, nagenoeg identieke, woningen gebouwd met standaard kenmerken. Dat trok en trekt nog steeds gebruikers/bewoners met grotendeels overeenkomstige kenmerken. En dat terwijl de wensen en kenmerken van de huidige generaties inwoners (bewoner én woningzoekende) veel meer verschillen, wat weer leidt tot een veel gevarieerder programma aan wooneisen. Het slopen van een aantal woningen in een buurt gebeurt al op diverse plaatsen.

Bepaalde woningblokken uit de jaren 50, 60 en 70 zijn, door bouwwijze, indeling, ligging of grootte en woningtype, binnen de beschikbare budgetten (sociale huur) in de ogen van de corporaties niet of nauwelijks aan toekomstige en toekomstbestendige wooneisen aan te passen. Dus worden er ook nu blokjes huurwoningen gesloopt om plaats te maken voor eigentijdse, vervangende, gestapelde nieuwbouw. Het gaat dan vaak om bouwprojecten met koopwoningen of woningen in het hogere huursegment.

Vervangende nieuwbouw wijk De Kruiskamp te ’s-Hertogenbosch
Aanzicht van deze nieuwbouw aan de Mariniersstraat(Google)

Het vervangen van grondgebonden woningen, door moderne energie neutrale gestapelde nieuwbouw vergroot de variatie in het woningaanbod in een bestaande wijk. Daardoor verbetert de aantrekkingskracht van de buurt of wijk. De duurdere nieuwbouw trekt andere bewoners, met andere kenmerken, wensen en behoeften, dan de oorspronkelijke sociale huurders hadden. De nieuwe, meestal jongere, bewoners geven daarmee bestaande voorzieningen in de buurt op het gebied van bijvoorbeeld zorg, onderwijs, retail, sport, recreatie en openbaar vervoer een nieuwe impuls.

Vervangende nieuwbouw in bestaande wijken gebeurt dus wel, maar de invulling is nu vooral gericht op het aantrekken van draagkrachtige woningzoekenden. Een aardige bijkomstigheid is het feit dat de fris ogende nieuwbouw de eigenaren van omringende woningen ook aanzet om het uiterlijk en de uitstraling van hun eigendom flink op te poetsen. Men wil niet uit de toon vallen met een woning die zichtbaar onderhoud nodig heeft.

Door die vervangende nieuwbouw juist specifiek af te stemmen op het verleiden en aantrekken van oudere ‘grootwoners’ uit de buurten en in hun eigen wijk een veilige, comfortabele en toch betaalbare nieuwe woonruimte te bieden, komt de doorstroming en de verjonging in de wijk op gang.

De ouderen die in het nieuwe complex gaan wonen komen uit de directe omgeving, uit de dezelfde buurt of wijk waar het complex is gerealiseerd. Het wordt helemaal een doorslaand succes wanneer de vrijkomende woningen, bij voorrang worden verhuurd aan naasten en familie. Voorwaarde is dan wel dat zij verder weg wonen en al aantoonbaar mantelzorg verlenen en graag wat dichterbij willen wonen.

Gesloopte rijtjes woningen in de Schutskamp te ’s-Hertogenbosch
Een bouwrijp terrein voor specifieke nieuwbouw

Mijn voorstel is dan ook: sloop in de verschillende stadswijken met ‘stempelbouw’ een aantal blokjes van10 tot 20 woningenuit de jaren 50-80, die technisch of financieel, moeilijker aan de huidige woonwensen zijn aan passen. Afhankelijk van het aantal woningen en de diepte van voor- en achtertuin ontstaat dan een leeg bebouwingsoppervlak van ruim 1000 tot 3000 vierkante meter. Met een goede stedenbouwkundige benadering en aantrekkelijke architectuur is het mogelijk op die locatie nieuwe gestapelde woningen te realiseren die van alle gemakken zijn voorzien en die volledig energieneutraal zijn. Bij een bebouwingpercentage van 65 tot 75 procent en 3 tot 4 woonlagen levert dat zo’n 25 tot 75 volwaardige woningen met een woonoppervlak van tenminste 80 m2 op. Een winst van 15 tot 55 nieuwe woningen in een complex dat, zonder aantasting van het areaal aan openbaar groen, binnen de bestaande bebouwing is gerealiseerd.

Parkeerdruk

Ten tijde van de bouw van genoemde ‘oude’ woningen werd geen rekening gehouden met de omvang van het eigen autobezit zoals we dat nu kennen. In veel straten, buurten en wijken bestaat een nijpend tekort aan parkeerplekken. Het is een opdracht aan het openbaar bestuur en hun stedenbouwkundigen en architecten om in ontwerpplannen voldoende parkeerplaatsen voor de bewoners op te nemen en tegelijkertijd extra parkeeraccommodatie voor bewoners uit omliggende straten te realiseren. Openbaregebouwen en bedrijfsgebouwen dienen de eigen parkeervoorziening te verzorgen en niet af te wentelen op de openbare ruimte. Op veleplaatsen in de wereld worden in dicht bevolkte dorpen en steden ondergrondse parkeerplaatsen gepland én uitgevoerd. Er zijn daar vele oplossingen gevonden en toegepast met een goede prijs-prestatie voor toegankelijke ondergrondse parkeerplaatsen tegen een laag dus betaalbaar tarief.

Zo kan een optimaal gebruik van de beschikbare ruimte verkregen worden doorstalling van de auto’s met een ‘mechanisch parkeersysteem’. Dan wordt de auto op straatniveau in een specifieke ruimte op een plateau (of in een shuttle) geplaatst. De auto wordt automatisch getransporteerd naar plaats in de garage. Een dergelijke geautomatiseerde autostalling kan ondergronds of bovengronds (bijvoorbeeld tegen een blinde gevel) worden gebouwd, waarbij de gestalde auto’s volledig schuil kunnen gaan achter, desgewenst kleurige, PV-panelen aan de buitenkant van de stalling.

Een bijzondere oplossing die zich in de praktijk bewezen heeft

Vivalib Nederland,voortgekomen uit een partnership met Vivalib Frankrijk, heeft jarenlang onderzoek gedaan naar de wijze waarop mensen prettig wonen en wat er gebeurt als ze, gelet op de bijkomende ongemakken, zeer oud worden. De resultaten van die onderzoeken hebben geresulteerd in ‘Vivalib® evolutieve appartementen’ waarbij zelfstandigheid en eigen regie uitgangspunt voor het ontwerp zijn.

Het innovatieve en eigentijdse woonconcept van Vivalib stelt mensen in staat zo lang mogelijk en actief in hun eigen omgeving ouder te worden. De appartementen zijn zo ontworpen dat ze veel comfort bieden en mee kunnen groeien met de behoeften van de ouder wordende mens. Dit wordt evolutief (= zich geleidelijk ontwikkelend) genoemd. Afhankelijk van de persoonlijke omstandigheden zijn naar behoefte extra services bij te schakelen zonder dat er extra aanpassingen aan de woning nodig zijn.

In het ruime, goed ontworpen en uitgeruste appartement (valpreventie-maatregelen, handige lichtroutes en integrale alarmopvolging) is het sowieso gewoon prettig wonen.De servicecentrale op afstand met personen alarmering (24/7) maakt het wonen ronduit zorgeloos. Bij medische problemen kan, in overleg, op afstand worden gemonitord (hartslag, e.d.). Bij zwaardere gezondheidsproblemen kan een verpleegkundige of arts zelfs op afstand toezicht houden.

Een slimme installatie en één afstandsbediening waarmee alles is te bedienen maakt ditmogelijk. Met een tablet is contact mogelijk met internet en services en kan beeldcontact met familie en bekenden en waar nodig professionals, worden onderhouden. Met andere woorden: motorische, zintuiglijke of cognitieve achteruitgang kan zo, binnen de eigen, vertrouwde, setting worden opgevangen. Vivalib is zowel voor de sociale woningbouw als voor de vrije sector/particuliere bouw een oplossing en is zowel mogelijk als nieuwbouw als in bestaande bouw. Om te voorkomen dat door leeftijd gestigmatiseerde gebieden ontstaan streeft Vivalib naar eenheden in een omgeving met een gemengde bevolkingssamenstelling en leeftijdsopbouw. Uit ervaring is gebleken dat daardoor ‘van nature’ contacten ontstaan waardoor eenzaamheid wordt voorkomen en eventuele extra ‘mantelzorg’- ondersteuning mogelijk wordt.

Bij concrete renovatie of nieuwbouwprojecten werkt Vivalib in een samenwerkingsproces met corporaties, gemeente, ontwikkelaars en/of beleggers stapsgewijs samen naar de realisatie.

Met een stedenbouwkundige analyse en toets van de fysieke omgeving wordt bepaald of de plek i.v.m.bereikbaarheid van voorzieningen, geschikt is om bewoners, zelfstandig wonend, oud te laten worden. Ook worden de woonplattegronden getoetst op geschiktheid voor een Vivalib aanpak. Als de opdrachtgever de aanbevelingen overneemt worden plattegrond en materiaaltoepassing uitgewerkt en vindt engineering van automatisering en technische installaties plaats.

Vivalib regelt de overeenkomst met het serviceplatform: “de Zorgcentrale” en biedt ondersteuning bij de prijsonderhandeling op Vivalib onderdelen. Tijdens de uitvoering ziet Vivalib toe op het bewaken van het afgesproken kwaliteitsniveau en de instructies aan de installateur. Vivalib zorgt voor het testen van het automatiseringspakket in de woning en de verbinding met het serviceplatform.

Aantrekkelijke woonruimtevoor iedereen haalbaar?

Technisch blijken alle leeftijdsgebonden woonwensen uitvoerbaar te zijn. Is dat ook financieel haalbaar? Ja, zeker als de politiek én de financiële sector dat echt willen én ook feitelijk mogelijk maken. Dat vergt een goede dialoog en effectieve besluitvorming. Dat lukt wanneer alle partijen bereid zijn hun korte termijn belangen te gaan behartigen als afgeleide van ons aller lange termijn belangen.

Een integrale afweging van kosten-baten is daarbij onvermijdelijk. Dus niet alleen de huidige kosten en voordelen, maar ook de toekomstige kosten die worden vermeden moeten in de kostenplaatjes worden meegewogen. Bij zo’n afgewogen beleid zijn veel van de huidige kosten voor gezondheid en armoede te beteugelen. Dat betekent beter beheersbare kosten voor en in de toekomst.

De benodigde gelden zijn onder bescherming van overheden (dat wil niet zeggen met bemoeienis van overheden) eerlijk te verdelen. Voor de financiële sector dan de taak, samen met andere partijen, transparante constructies te bedenken (en aan te bieden) die de woonambities haalbaar en betaalbaar maken.

Met de geschetste aanpak kunnen gemeenten, corporaties en marktpartijen direct beginnen. Dat levert alleen maar winnaars op!

Deze bijdrage werd eerder, op 06-10-2019, als blog gepubliceerd op VIBAEXPO.nl