Welkom by Sustainable Energy Solutions

Paul-Masselinkvs2_5x6cm

Welkom bij Sustainable Energy Solutions, de website van het bedrijf dat ik heb opgericht om mijn visie en ideeën over duurzame en energie en energieopslag te verspreiden. Ik ben al ruim 35 jaar actief in deze sector. Lees hier meer over mij en mijn ervaringen; en hieronder over mijn artikelen, publicaties en nieuws over het bereiken van een gebouwde omgeving die vrij is van fossiele brandstoffen.

Buurtverjonging en vervangende nieuwbouw voor ouderen

INLEIDING

De vraag naar nieuwe betaalbare woonruimte is groot. Om aan die vraag te voldoen isonontkoombaarnieuwbouw nodig.Maar nieuwe woningen bouwen,die voldoen aan allerleieisen op het gebied vanalleenlicht, lucht, energie en watergebruik,is niet voldoende. Voor echte aantrekkelijke woonruimte zijn allerlei voorzieningen in dedirecte omgeving noodzakelijk. Uiteraard zijnde routes naar die voorzieningenkort, direct, veilig en goed begaanbaar. Uitbreiden aan stadsranden is niet zaligmakend. Om snel aan de vraag te voldoen worden grote projecten gepland in nieuwbouwwijken in weilanden aan de rand van steden. Dit gebeurt onder het mom van efficiëntie, snelheid en kwantiteit.Vanuit meer fundamentele inzichten (beperken van energie, drinkwater en grondstoffen om te komen tot een circulaire economie) is het verder uitbreiden aan de stadsranden zeker niet zaligmakend.

Het uitdijen van de stad door nieuwe veraf gelegen woonwijken vereist extra ruimte, materiaal en investeringen voor de aanleg van wegen, infrastructuur, openbaar groen, gemeenschappelijke gebouwen (sport/onderwijs/zorg) en retail-locaties. Dergelijke woonwijken leiden immers tot lange transportleidingen, (incl. voorzieningen als pompen), voor water, elektra, riolering en data. En dat vereist nog meer materiaalgebruik, hogere vervangingsinvesteringen en forsere onderhoudskosten.

Bovendien gaat dat gepaard met een hoger energiegebruik dat alleen al nodig is om de (leiding-)infrastructuur sowieso te kúnnen gebruiken. Na oplevering van dergelijke nieuwbouwwoningen zijn de bewoners permanent aangewezen op lange transportlijnen en hebben zij dus hoge kosten voor mobiliteit naar werk, school, winkels en andere voorzieningen(zorg/cultuur/sport/recreatie).

Woning voldoet lang niet altijd aan leeftijdsgebonden behoefte

Zoals overal bestaat, zeker in de stedelijke gebieden, een groter wordend deel van de bevolking uit mensen in de pensioengerechtigde leeftijd. Veel van deze bewoners bewonen, vaak met geringe kosten voor de restant hypotheek, een eengezinswoning met meerdere slaapkamers en een eigen tuin. Door maatschappelijke ontwikkelingen en politieke keuzes zijn zij genoodzaakt zo lang mogelijk zelfstandig in hun woning te blijven en daar oud te worden.

Natuurlijk weet iedereen, de nationale en gemeentelijke politici incluis, dat ouder worden bij velen gepaard gaat met toenemende fysieke problemen. Dan is het nodig om de obstakels, die een lang en veilig verblijf in de weg staan, weg te nemen. Hoe futiel die obstakels, in de ogen van iemand zonder beperking, ook zijn. Debereidheid bij gemeenten en corporaties, om de kosten voor aanpassingen van die woningen (mee) mogelijk te maken, blijkt beperkt te zijn en is bovendien slechts moeizaam af te dwingen. Helaas zijn het juist ook die vaak oudere bewoners die na een valpartij met botbreuken (heup en pols) en hersenletsel op de spoedeisende hulp terecht komen. In 2018 waren dat 75.000 mensen. Voor 4396 personen bleek de val zelfs fataal. Struikelen over drempels, uitglijden in de badkamer, maar vooral een val van de trap zijn de belangrijkste oorzaken. Na een valpartij konden zo’n 10.000 mensen niet meer naar hun woning terug en moesten zij in een verpleeghuis worden opgenomen.

Vooral ouderen, die zich bewust zijn van hun fysieke beperkingen en chronische klachten, willen best overwegen om te verhuizen. Een praktisch ingedeelde woning, alles gelijkvloers en iets kleiner,met een minimum aan onderhoud, zicht op gebruiks- en kijkgroen maar zonder eigen tuin scoort dan hoog. Maar een aantrekkelijke woning alleen is niet voldoende om ouderen tot verhuizen te verleiden. Zo’n nieuwe woning wordt voor hen pas echt aantrekkelijk als er in de directe nabijheid, dus op loopafstand, voldoende voorzieningenaanwezig zijn (winkels, zorg, openbaar vervoer, cultuur). Maar het meest overtuigend is het, wanneer zo’n woning in de eigen vertrouwde buurt staat en de sociale contacten blijven bestaan en men de bekende voorzieningen kan blijven gebruiken.

Naast deze emotionele argumenten en afwegingen zijn er natuurlijk ook financiële aspecten die een rol spelen. Vaak blijkt de hoogte van de woonlasten in de nieuwe woning ten opzichte van de woonlasten in de bestaande woning een doorslaggevende reden om al dan niet te verhuizen. De overgang van een eigen woning -met minimale hypotheeklasten en wat hogere energielasten- naar een woning in de vrijesector huur, is financieel onoverkomelijk. Voor huurders van sociale woningen is die overgang in financieel opzicht vaak makkelijker te maken, als de corporatie dat soort woningen aanbiedt.

De wens ouderen, ondanks toenemende gezondheidsklachten zo lang mogelijk zelfstandig ‘thuis’ te laten wonen vraagt ook om een reeks maatregelen die dat mogelijk moeten maken. Een daarvan is om in bestaande wijken specifieke gestapelde nieuwbouw te realiseren voor mensen uit diezelfde wijk die hun grote, relatief veel onderhoud vergende, onpraktische verdiepingswoning wel willen inruilen.

Slim inbreiden met selectieve sloop biedt vele kansen.

Omdat groen en open ruimten in een bestaande wijk, vanwege de gewenste leefbaarheid, niet ongestraft voor nieuwbouw kunnen worden opgeofferd, ligt het voor de hand, ruimte te creëren door planmatig, groepjes woningen, dicht bij concentraties van voorzieningen, te slopen en op die locaties specifieke en uitgekiende gestapelde nieuwbouw te realiseren.

Ten tijde van de wederopbouw zijn er in de toenmalige nieuwbouwwijken, in zogenaamd stempelstramien, in korte tijd talloze, nagenoeg identieke, woningen gebouwd met standaard kenmerken. Dat trok en trekt nog steeds gebruikers/bewoners met grotendeels overeenkomstige kenmerken. En dat terwijl de wensen en kenmerken van de huidige generaties inwoners (bewoner én woningzoekende) veel meer verschillen, wat weer leidt tot een veel gevarieerder programma aan wooneisen. Het slopen van een aantal woningen in een buurt gebeurt al op diverse plaatsen.

Bepaalde woningblokken uit de jaren 50, 60 en 70 zijn, door bouwwijze, indeling, ligging of grootte en woningtype, binnen de beschikbare budgetten (sociale huur) in de ogen van de corporaties niet of nauwelijks aan toekomstige en toekomstbestendige wooneisen aan te passen. Dus worden er ook nu blokjes huurwoningen gesloopt om plaats te maken voor eigentijdse, vervangende, gestapelde nieuwbouw. Het gaat dan vaak om bouwprojecten met koopwoningen of woningen in het hogere huursegment.

Vervangende nieuwbouw wijk De Kruiskamp te ’s-Hertogenbosch
Aanzicht van deze nieuwbouw aan de Mariniersstraat(Google)

Het vervangen van grondgebonden woningen, door moderne energie neutrale gestapelde nieuwbouw vergroot de variatie in het woningaanbod in een bestaande wijk. Daardoor verbetert de aantrekkingskracht van de buurt of wijk. De duurdere nieuwbouw trekt andere bewoners, met andere kenmerken, wensen en behoeften, dan de oorspronkelijke sociale huurders hadden. De nieuwe, meestal jongere, bewoners geven daarmee bestaande voorzieningen in de buurt op het gebied van bijvoorbeeld zorg, onderwijs, retail, sport, recreatie en openbaar vervoer een nieuwe impuls.

Vervangende nieuwbouw in bestaande wijken gebeurt dus wel, maar de invulling is nu vooral gericht op het aantrekken van draagkrachtige woningzoekenden. Een aardige bijkomstigheid is het feit dat de fris ogende nieuwbouw de eigenaren van omringende woningen ook aanzet om het uiterlijk en de uitstraling van hun eigendom flink op te poetsen. Men wil niet uit de toon vallen met een woning die zichtbaar onderhoud nodig heeft.

Door die vervangende nieuwbouw juist specifiek af te stemmen op het verleiden en aantrekken van oudere ‘grootwoners’ uit de buurten en in hun eigen wijk een veilige, comfortabele en toch betaalbare nieuwe woonruimte te bieden, komt de doorstroming en de verjonging in de wijk op gang.

De ouderen die in het nieuwe complex gaan wonen komen uit de directe omgeving, uit de dezelfde buurt of wijk waar het complex is gerealiseerd. Het wordt helemaal een doorslaand succes wanneer de vrijkomende woningen, bij voorrang worden verhuurd aan naasten en familie. Voorwaarde is dan wel dat zij verder weg wonen en al aantoonbaar mantelzorg verlenen en graag wat dichterbij willen wonen.

Gesloopte rijtjes woningen in de Schutskamp te ’s-Hertogenbosch
Een bouwrijp terrein voor specifieke nieuwbouw

Mijn voorstel is dan ook: sloop in de verschillende stadswijken met ‘stempelbouw’ een aantal blokjes van10 tot 20 woningenuit de jaren 50-80, die technisch of financieel, moeilijker aan de huidige woonwensen zijn aan passen. Afhankelijk van het aantal woningen en de diepte van voor- en achtertuin ontstaat dan een leeg bebouwingsoppervlak van ruim 1000 tot 3000 vierkante meter. Met een goede stedenbouwkundige benadering en aantrekkelijke architectuur is het mogelijk op die locatie nieuwe gestapelde woningen te realiseren die van alle gemakken zijn voorzien en die volledig energieneutraal zijn. Bij een bebouwingpercentage van 65 tot 75 procent en 3 tot 4 woonlagen levert dat zo’n 25 tot 75 volwaardige woningen met een woonoppervlak van tenminste 80 m2 op. Een winst van 15 tot 55 nieuwe woningen in een complex dat, zonder aantasting van het areaal aan openbaar groen, binnen de bestaande bebouwing is gerealiseerd.

Parkeerdruk

Ten tijde van de bouw van genoemde ‘oude’ woningen werd geen rekening gehouden met de omvang van het eigen autobezit zoals we dat nu kennen. In veel straten, buurten en wijken bestaat een nijpend tekort aan parkeerplekken. Het is een opdracht aan het openbaar bestuur en hun stedenbouwkundigen en architecten om in ontwerpplannen voldoende parkeerplaatsen voor de bewoners op te nemen en tegelijkertijd extra parkeeraccommodatie voor bewoners uit omliggende straten te realiseren. Openbaregebouwen en bedrijfsgebouwen dienen de eigen parkeervoorziening te verzorgen en niet af te wentelen op de openbare ruimte. Op veleplaatsen in de wereld worden in dicht bevolkte dorpen en steden ondergrondse parkeerplaatsen gepland én uitgevoerd. Er zijn daar vele oplossingen gevonden en toegepast met een goede prijs-prestatie voor toegankelijke ondergrondse parkeerplaatsen tegen een laag dus betaalbaar tarief.

Zo kan een optimaal gebruik van de beschikbare ruimte verkregen worden doorstalling van de auto’s met een ‘mechanisch parkeersysteem’. Dan wordt de auto op straatniveau in een specifieke ruimte op een plateau (of in een shuttle) geplaatst. De auto wordt automatisch getransporteerd naar plaats in de garage. Een dergelijke geautomatiseerde autostalling kan ondergronds of bovengronds (bijvoorbeeld tegen een blinde gevel) worden gebouwd, waarbij de gestalde auto’s volledig schuil kunnen gaan achter, desgewenst kleurige, PV-panelen aan de buitenkant van de stalling.

Een bijzondere oplossing die zich in de praktijk bewezen heeft

Vivalib Nederland,voortgekomen uit een partnership met Vivalib Frankrijk, heeft jarenlang onderzoek gedaan naar de wijze waarop mensen prettig wonen en wat er gebeurt als ze, gelet op de bijkomende ongemakken, zeer oud worden. De resultaten van die onderzoeken hebben geresulteerd in ‘Vivalib® evolutieve appartementen’ waarbij zelfstandigheid en eigen regie uitgangspunt voor het ontwerp zijn.

Het innovatieve en eigentijdse woonconcept van Vivalib stelt mensen in staat zo lang mogelijk en actief in hun eigen omgeving ouder te worden. De appartementen zijn zo ontworpen dat ze veel comfort bieden en mee kunnen groeien met de behoeften van de ouder wordende mens. Dit wordt evolutief (= zich geleidelijk ontwikkelend) genoemd. Afhankelijk van de persoonlijke omstandigheden zijn naar behoefte extra services bij te schakelen zonder dat er extra aanpassingen aan de woning nodig zijn.

In het ruime, goed ontworpen en uitgeruste appartement (valpreventie-maatregelen, handige lichtroutes en integrale alarmopvolging) is het sowieso gewoon prettig wonen.De servicecentrale op afstand met personen alarmering (24/7) maakt het wonen ronduit zorgeloos. Bij medische problemen kan, in overleg, op afstand worden gemonitord (hartslag, e.d.). Bij zwaardere gezondheidsproblemen kan een verpleegkundige of arts zelfs op afstand toezicht houden.

Een slimme installatie en één afstandsbediening waarmee alles is te bedienen maakt ditmogelijk. Met een tablet is contact mogelijk met internet en services en kan beeldcontact met familie en bekenden en waar nodig professionals, worden onderhouden. Met andere woorden: motorische, zintuiglijke of cognitieve achteruitgang kan zo, binnen de eigen, vertrouwde, setting worden opgevangen. Vivalib is zowel voor de sociale woningbouw als voor de vrije sector/particuliere bouw een oplossing en is zowel mogelijk als nieuwbouw als in bestaande bouw. Om te voorkomen dat door leeftijd gestigmatiseerde gebieden ontstaan streeft Vivalib naar eenheden in een omgeving met een gemengde bevolkingssamenstelling en leeftijdsopbouw. Uit ervaring is gebleken dat daardoor ‘van nature’ contacten ontstaan waardoor eenzaamheid wordt voorkomen en eventuele extra ‘mantelzorg’- ondersteuning mogelijk wordt.

Bij concrete renovatie of nieuwbouwprojecten werkt Vivalib in een samenwerkingsproces met corporaties, gemeente, ontwikkelaars en/of beleggers stapsgewijs samen naar de realisatie.

Met een stedenbouwkundige analyse en toets van de fysieke omgeving wordt bepaald of de plek i.v.m.bereikbaarheid van voorzieningen, geschikt is om bewoners, zelfstandig wonend, oud te laten worden. Ook worden de woonplattegronden getoetst op geschiktheid voor een Vivalib aanpak. Als de opdrachtgever de aanbevelingen overneemt worden plattegrond en materiaaltoepassing uitgewerkt en vindt engineering van automatisering en technische installaties plaats.

Vivalib regelt de overeenkomst met het serviceplatform: “de Zorgcentrale” en biedt ondersteuning bij de prijsonderhandeling op Vivalib onderdelen. Tijdens de uitvoering ziet Vivalib toe op het bewaken van het afgesproken kwaliteitsniveau en de instructies aan de installateur. Vivalib zorgt voor het testen van het automatiseringspakket in de woning en de verbinding met het serviceplatform.

Aantrekkelijke woonruimtevoor iedereen haalbaar?

Technisch blijken alle leeftijdsgebonden woonwensen uitvoerbaar te zijn. Is dat ook financieel haalbaar? Ja, zeker als de politiek én de financiële sector dat echt willen én ook feitelijk mogelijk maken. Dat vergt een goede dialoog en effectieve besluitvorming. Dat lukt wanneer alle partijen bereid zijn hun korte termijn belangen te gaan behartigen als afgeleide van ons aller lange termijn belangen.

Een integrale afweging van kosten-baten is daarbij onvermijdelijk. Dus niet alleen de huidige kosten en voordelen, maar ook de toekomstige kosten die worden vermeden moeten in de kostenplaatjes worden meegewogen. Bij zo’n afgewogen beleid zijn veel van de huidige kosten voor gezondheid en armoede te beteugelen. Dat betekent beter beheersbare kosten voor en in de toekomst.

De benodigde gelden zijn onder bescherming van overheden (dat wil niet zeggen met bemoeienis van overheden) eerlijk te verdelen. Voor de financiële sector dan de taak, samen met andere partijen, transparante constructies te bedenken (en aan te bieden) die de woonambities haalbaar en betaalbaar maken.

Met de geschetste aanpak kunnen gemeenten, corporaties en marktpartijen direct beginnen. Dat levert alleen maar winnaars op!

Deze bijdrage werd eerder, op 06-10-2019, als blog gepubliceerd op VIBAEXPO.nl

Direct besparen op water en energie

Inleiding

De beschikbaarheid van voldoende zoet water in Nederland is steeds minder makkelijk te garanderen. In het Westen en het Noorden van ons land bedreigt toenemende verzilting de watervoorziening voor de drinkwaterproductie maar ook voor de land- en tuinbouw. Extra druk ontstaat door langere periodes van hoge temperaturen met [relatief] weinig neerslag terwijl lokaal korte maar hevige regenbuien vallen. Jaarlijks neemt de hoeveelheid neerslag trendmatig geleidelijk toe. (1)

Dat laatste brengt de landbouw ertoe om veel extra grond- en oppervlaktewater in te zetten voor het beregenen van de gewassen. In bebouwde gebieden veroorzaken de korte intense regenbuien wateroverlast omdat al dat water niet snel genoeg via de riolering is af te voeren. Meer over deze onderwerpen vindt u in mijn blogs ‘Watertekort ondanks wateroverschot’, januari 2018, (vooral internationaal) en ‘Water als grondstof’, juni 2018, (vooral Nederland).

Redenen te over om zuinig te zijn op ons drinkwater. Voor water dat niet de kwaliteit van drinkwater hoeft te hebben, zijn goede oplossingen voor handen, te gebruiken en verder te ontwikkelen. In dit essay komen een aantal bestaande en toekomstige oplossingen en (mogelijke) maatregelen aan de orde.

Situatie in Nederland: verzilting, neerslag en drinkwater

Huidige situatie, verwachte zoutindringing en probleemgebieden

             Bron: Kaartenatlas Nationaal Waterplan

Neerslag neemt trendmatig geleidelijk toe

Huidige gebruik van drinkwater Momenteel gebruiken we in Nederland gemiddeld 120 liter drinkwater per persoon per dag (l/p/d). Het meest water gebruiken we voor de douche 51,2 l/p/d, voor het toilet 33,3 l/p/d en de wasmachine 14,3 l/p/d. Samen 98,8 l/p/d. Dat is 83 % van het totale drinkwater per persoon per dag. 

Bron: Vitens.nl

Nederland levert het beste drinkwater van Europa en beschikte tot op heden over voldoende grond- en oppervlaktewater om meer dan genoeg van dat goede drinkwater te produceren. Door veranderingen in de neerslag en zorgen om beschikbaarheid voor bijvoorbeeld de industrie en agrarische sector zal dat op korte termijn drastisch veranderen.

Toch is het niet verbazingwekkend dat er tot op heden niet erg zorgvuldig met dat drinkwater wordt omgesprongen. Deze hoge kwaliteit drinkwater heeft een bizar klein prijskaartje van € 0,63 tot € 1,32 per 1000  liter. Waterbedrijven die oppervlakte-/rivierwater gebruiken om er drinkwater uit te produceren hanteren een hogere prijs per kubieke meter, omdat rivierwater (nu al) lastiger is te zuiveren dan grondwater.  

Mogelijkheden om gebruik van drinkwater te beperken

Verbruik drinkwater bij douches beteugelen heeft eerste prioriteit

Als we iets willen doen aan de verspilling van drinkwater zijn maatregelen die het gebruik bij het douchen beperken zeer effectief.

Douchekop, douchetijd en waterkraan aanpassen Bij het douchen is het verbruik gemiddeld 6 tot 7,5 liter water per minuut. Een niet-waterbesparende douchekop gebruikt per minuut al gauw gemiddeld 8 tot 9 liter water. In Nederland kost een douchebeurt, die tussen de 5 en 10 minuten duurt, 40 tot 50 liter water. Een regendouche verbruikt al snel 15 tot wel 40 liter water per minuut met een totaalgebruik van 100 tot 280 liter per douchebeurt. Een bad vereist gemiddeld 120 liter per keer.
Natuurlijk scheelt het ook heel wat als de duur van het douchen van een kleine 10 minuten wordt teruggebracht tot bijvoorbeeld maximaal 5 minuten. Ook een thermostaatkraan bespaart op douchewater. Het besparen van douchewater zorgt tegelijkertijd voor een (forse) besparing op de energierekening.

Met neveldouches kan het nog veel zuiniger In Californië, een Amerikaanse staat die al jaren kampt met extreme droogte en ernstig watertekort, is – dankzij crowdfunding en steun van Apple en Google – vijf jaar lang aan de ontwikkeling van een innovatieve neveldouche gewerkt.
Deze superslimme douche gebruikt 65 tot 70% minder water dan de normale spaardouche. De douchekop heeft kleine sproeigaatjes die de waterdruppels die uit de sproeikop komen in miljoenen minuscule druppeltjes verdelen. Daardoor sta je middenin een warme wolk water.

De innovatieve techniek zorgt ervoor dat de nevel zich over een meer dan 5 keer groter oppervlak verspreidt. De industriële vormgevers van de neveldouche hebben oog gehad voor de functionaliteit en toepasbaarheid zodat deze, inclusief de ergonomische ontworpen handsproeier, zonder grote aanpassingen, eenvoudig is te installeren.

bron: Nebia Neveldouche 2.0

Op basis van feedback is de neveldouche inmiddels verder verbeterd waardoor de sproeiers, ontwikkeld met dynamische vloeistof modellen, nu het contact met het water maximaliseren. Het douchenevelwater voelt warmer aan, de druppels vallen sneller en intensiveren het lichaamscontact, terwijl ten opzichte van gewone douches toch minimaal 65% aan water wordt bespaard.
Het waterverbruik daalt dan van ongeveer 6 tot 7,5 liter per minuut voor de spaardouche naar 2 tot 2,5 liter per minuut voor de neveldouche. Ofwel van 40 tot 50 liter bij een spaardouche naar gemiddeld 15 tot 17,5 liter per douchebeurt bij de neveldouche. Het gebruik van (drink-)water daalt alleen al hierdoor van 120 liter tot onder de 100 liter; naar 95 tot 87,5 liter per persoon per dag! [1]

Water voor het spoelen van het toilet

Toiletbezoek komt op de tweede plaats als het gaat om het verbruik van drinkwater.

Installeren van nieuwe toiletten (zuiniger met (drink)water) Uit het onderzoek ‘Watergebruik Thuis 2016’ (TNS Nipo juli 2017) blijkt dat de Nederlander gemiddeld 5 tot 6 maal per dag van het toilet gebruik maakt. Naarmate men ouder wordt stijgt het toiletbezoek en het watergebruik dat daar mee samenhangt. Per spoelbeurt is gemiddeld 6 tot 8 liter water nodig. Dit verbruik neemt door het installeren van nieuwe (zuiniger) toiletten met iets kleinere spoelreservoirs en spoelonderbrekers gemiddeld langzaam af. Inmiddels beschikt bijna 80% van de huishoudens over een toilet met spoelonderbreking, maar helaas wordt die lang niet altijd (max 75%) gebruikt. Omdat Nederland zuiniger met zijn (drink-)water moet omgaan is een toiletspoeling van maximaal 4 liter beter dan de huidige 6-8 liter spoelbeurt.

Minder grote diameter riolering Maar het blijkt nog niet zo simpel om de hoeveelheid spoelwater fors terug te dringen én de riolering toch goed te laten functioneren. Het spoelwater moet zowel de inhoud uit de toiletpot verwijderen als ook die inhoud naar de riolering transporteren. Bij nieuwbouwwoningen is dat direct mogelijk door, conform de Duitse normering, de diameter van de afvoer op Ø 90 mm, het afschot op 1,5 % en de leidinglengte op maximaal 10 meter te stellen.

Bron: Installateurs Zaken Hr. Bosman Geberit

Bij die kleinere diameter is de afvoerbuis zelfs bij 4 liter spoelwater beter gevuld dan bij een buis van Ø 110 mm met 6 of 8 liter en dat verbetert het transport van alles wat moet worden afgevoerd.

Consequenties voor verbouwingen en renovaties Bij verbouwingen en renovaties van de bestaande woningvoorraad zal dus ook kritisch gekeken moeten worden naar de diameter van de riolering, het afschot en de lengte van de afvoer vanaf woning tot in de openbare riolering. Uit praktische en pragmatische overwegingen moeten alle mogelijkheden om de bestaande riolering met nieuwe en innovatieve aanpassingen te upgraden worden betrokken bij het beperken van de vraag naar water voor toiletspoeling.

De WISA-booster reduceert water per spoelbeurt tot maximaal 4 liter Gelukkig is er een redelijk eenvoudige oplossing op de markt om toch, zelfs bij het handhaven van de bestaande uitvoering van de riolering, probleemloos naar een spoeling van maximaal 4 liter over te kunnen stappen. En dat is, in combinatie met een 4 liter spoelbak, de ‘Booster’, die WISA) op de Nederlandse markt brengt.

Booster in diverse uitvoeringen bron: Wisa
bron: Wisa

De ‘Booster’ verzamelt het spoelwater (en eventueel ander afvalwater van fonteintje in WC) in een tank met een capaciteit van 14 of 18 liter. Zodra deze tank, die onder aan de standleiding is gemonteerd, vol is, zorgt een hevelwerking ervoor dat de inhoud van de tank in één keer naar het hoofdriool wordt afgevoerd. Deze stroom voorkomt verstoppingen in de leiding naar het hoofdriool. De ‘Booster’ werkt stil en efficiënt, en functioneert door de hevelwerking zonder elektrische pompen. Het spreekt voor zich dat de inhoud van de spoelbak afgestemd wordt op de inzet van de booster.  
Van de 30 tot 50 liter die een persoon nu gemiddeld gebruikt voor toiletspoeling resteert, per persoon, bij maximaal [!] 4 liter water per spoeling en 5 tot 6 spoelingen per dag, nog 20 tot 24 liter spoelwater. Ondanks de besparing van 3.650 tot 9.125 liter (drink-)water betekent dit per persoon, afhankelijk van de omstandigheden, nog steeds een gebruik van ongeveer 7.300 tot 8.750 liter water per jaar voor het spoelen van het toilet.

Randloos toilet Op het gebied van toiletpotten vinden ook innovaties plaats. Traditionele potten hebben een spoelrand, waardoor het water onvoldoende kracht en volume heeft om goed schoon te spoelen. Bij een zogenoemde rimfree of randloze toiletpot is minder water nodig om het toilet, met maar 3 tot 4 liter, met voldoende kracht schoon te spoelen.  Inmiddels bieden meerdere leveranciers zoals onder andere Sfinx, Duravit, Mocoori, en Villeroy & Boch, randloze toiletten aan.

Ontleend aan Villeroy & Boch

Behalve de besparing op water hebben deze moderne toiletpotten als groot voordeel dat de toiletpot van binnen volledig glad is afgewerkt en makkelijk hygiënisch is te reinigen. Het ontbreken van de moeilijk te reinigen spoelrand bespaart tijd en maakt het werken met agressieve reinigingsmiddelen overbodig. Dat komt de levensduur van rioleringen en de werking van de RWZI ten goede.

Blijft natuurlijk staan dat de diameter van de riolering, het afschot en de leidinglengte op deze beperkte hoeveelheid water moeten zijn afgestemd om verstoppingen te voorkomen.

Wasmachine en regenwater

De laatste grote drinkwater slurper, met gemiddeld 14 liter per persoon per dag, is de wasmachine.

 Gemiddeld is sprake van 220 wasbeurten per jaar. Omdat het waterverbruik van wasmachines de afgelopen 8 jaar is gehalveerd tot ongeveer 40 liter per wasbeurt, kan het vervangen van een wasmachine die ouder is dan 10 jaar een slimme stap zijn om te besparen op zowel energie als water. Dit kan met een wasmachine die een energielabel A+++ -40% of -50% label heeft. Dat percentage geeft  de energiebesparing aan ten opzichte van de (inmiddels achterhaalde verbruiken van de) standaard A+++ wasmachine en dat is 70 tot 90 kWh per jaar.
Het waterverbruik staat ook op het energielabel. Dit verbruik varieert van 8.375 tot 11.150 liter per jaar en schommelt, bij de betere machines, ongeacht het label, zo rond de 10.000 liter per jaar.

Met een beetje aandacht voor het wassen is flink te besparen op energie- en waterverbruik. Dat lukt door te wassen met een volle trommel én het gebruik van de eco-programma’s van 40 °C en 60 °C. Overigens kost wassen op 60 °C bijna 2 keer zoveel energie als wassen op 40 °C.
De wasmiddelen van tegenwoordig zijn steeds geconcentreerder. Een juiste dosering, afgestemd op de hardheid van het water, is van groot belang, immers te veel wasmiddel is slecht voor de was, voor de wasmachine en het milieu.

Drinkwater en energie

De waterketen betreft alle infrastructuur om drinkwater te winnen en te distribueren en om afvalwater via riolering af te voeren naar de rioolwaterzuiveringsinstallaties. Drinkwaterproductie en -transport vragen ca. 40% van de energie in de waterketen.

Het gebruik van de waterketen kost per jaar de meeste energie. Voor de aanleg, bouw en verwijderen van die infrastructuur in de waterketen, is per jaar, omgerekend naar de levensduur, veel minder energie nodig.
Het besparen op drinkwater is dus ook energetisch zeer effectief. Dit maakt het gebruik van hemelwater en hergebruik van douchewater als toiletspoelwater ook uit energetisch oogpunt interessant. Het binnenshuis oppompen van gebufferd hemel- of douchewater kost veel minder energie dan de productie (winnen en reinigen) en distributie (pompen en persleidingen) van drinkwater. Zo rekent RIONED voor het gebruik van drinkwater circa 8 Wpp (= 8 Wpp x 31,5 MJ/jr/Wpp), ofwel 252 MJ/jr.  [2]
Zoals eerder aangegeven is het, dankzij tussentijdse opslag in buffervaten, heel goed mogelijk regenwater te gebruiken voor toiletspoeling, om te douchen en in de wasmachine.
Van de ongeveer 120 liter drinkwater per persoon per dag,  is daarmee in totaal gemiddeld 100 liter per persoon per dag te besparen. Dat is niet alleen een dikke 80% op het drinkwater gebruik maar ook zo’n 210 MJ/jr, of 83% op het energiegebruik dat nodig is voor het winnen en distribueren van drinkwater!

Afkoppelen regenwater van rioolstelsel

In stedelijke gebieden en gebouwde omgevingen is het gebruikelijk de regen van straten en daken rechtstreeks naar de riolering af te voeren. Dat leidt bij forse buien tot overbelasting van het rioleringsstelsel en de rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI). [3]
Door de regen worden de verontreinigingen in het rioolwater sterk verdund. De zuivering in de RWZI verloopt daardoor minder goed. Veel verontreinigingen komen via het gereinigde rioolwater (effluent) in het oppervlaktewater terecht. Dat oppervlaktewater wordt – mede door de opgeloste stoffen in het effluent – steeds minder geschikt voor toepassing in land- en tuinbouw. Laat staan dat uit dat water op eenvoudige en betaalbare wijze nog goed drinkwater te produceren is.
Juist om verontreiniging van het oppervlaktewater tegen te gaan, zijn – in het recente verleden – talloze bergbezinkbassins gerealiseerd. Beoogd wordt daarmee het lozen van ongezuiverd rioolwater te voorkomen.
Zonder bergbezinkbassins komt dat wateroverschot – na hevige of langdurige regenbuien – uit overvolle rioleringen, direct via zogenoemde overstorten, ongezuiverd in sloten en vaarten terecht.
De belasting van het rioleringsstelsel, en daarmee de RWZI, is beter te reguleren, door niet alle neerslag regelrecht naar de riolering af te voeren.

Bron Van der Linden Beton; Coorbhertstraat te ‘s-Hertogenbosch

Tussentijdse opslag regenwater Een belangrijke eerste stap is dus het hemelwater niet rechtstreeks op de riolering te lozen. Net als bij energie uit zon en wind is ook regenwater niet altijd beschikbaar als er vraag naar is, en is een systeem voor tussentijdse opslag noodzakelijk. Voor de tijdelijke en tussentijdse opslag van hemelwater zijn talloze producten op de markt. Zowel in beton als in kunststof (rond, vierkant, hoog of plat zodat ze niet diep de grond in hoeven) met een capaciteit van 1.000 tot 10.000 liter en zelfs geschikt voor forse belastingen door (vracht-)wagens.

De keuze voor het grootste volume waarvoor plaats is, zoals bijvoorbeeld onder terras, oprit of ondergronds in de tuin, is financieel verstandig. Immers de meerkosten voor een complete tank met een zeer groot volume zijn verwaarloosbaar ten opzichte van kleinere exemplaren. Zo’n groter buffervat [4] biedt voldoende capaciteit voor veranderende behoeften en voor de wensen van toekomstige bewoners.

In België is het bij nieuwbouwwoningen al wettelijk verplicht om een regenwaterput met een capaciteit van minimaal 5.000 liter te plaatsen!
Ook in Nederland worden huiseigenaren in bijna veertig gemeenten binnenkort verplicht om maatregelen te treffen om hemelwater op te vangen omdat re riolen de toenemende hoeveelheid stortbuien niet meer aan kunnen.

Bron: Gawalo augustus 2017

Gebruik regen- en hergebruik huishoudelijk afvalwater

Voorkomen is beter dan genezen Het voorgaande heeft vooral betrekking op producten waarmee het gebruik van drinkwater flink afneemt. Niet alleen het beperken van het gebruik van grondstoffen, waaronder (drink-) water staat tegenwoordig in de belangstelling. Ook hergebruik en circulariteit krijgen steeds meer aandacht. Daardoor neemt de interesse in het gebruik van regenwater en het opnieuw inzetten van water dat al eerder in huis werd gebruikt verder toe.

Regenval en -opvang in cijfers Jaarlijks valt er in Nederland tussen de 700 en 1.000 mm neerslag, dus tussen de 700 en 1.000 liter per m² per jaar. De totale hoeveelheid neerslag varieert van jaar op jaar en van seizoen tot seizoen en ligt tegenwoordig op gemiddeld meer dan 800 mm. De maanden juli – december zijn gemiddeld 20 mm natter dan de maanden januari – juni.

Het gemiddeld dakoppervlak van een woning in Nederland is 70 m2. Daar valt gemiddeld 70 x 800 = 56.000 liter of 56 m³ regen op. Hiervan komt ongeveer 80 % in de regenpijp terecht en hiervan resteert weer 85 % omdat 15 % verloren gaat in het filter. Per jaar is per woning een hoeveelheid regenwater voor gebruik in en om de woning beschikbaar van 38 m(56 x 0,80 x 0,85).

Omdat langere droogteperioden en heftige hoosbuien steeds frequenter voor komen is het handig voor het bepalen van de grootte van een regenbuffer uit te gaan van een neerslag van 1.100 mm per m2. Dan is de hoeveelheid voor hergebruik beschikbaar regenwater 52 m(70 x 1.100 x 0,80 x 0,85).

Het is reëel uit te gaan van standaard 4 bewoners om het benodigde opslag volume te bepalen. Voor 4 bewoners ligt het gebruik nu op 175 m3 drinkwater per jaar (4 x 120 x 365 =175.200 liter per jaar). Als de aanpassingen om op het gebruik van drinkwater voor douchen, toiletspoeling en wasmachine, te besparen zijn gerealiseerd, is per jaar nog slechts 7,5 m3 per persoon of 30 m3 drinkwater per huishouden nodig.

Bron: Golantec

Voor toiletspoeling ligt het gebruik, ook bij gebruik van kleine spoelbak en booster, nog altijd op (4 x 365 x 25 liter) 36.500 liter water per jaar. In principe is in deze behoefte aan spoelwater met regenwater te voorzien. Voor het bufferen van regenwater voor toiletspoeling volstaat een voorraadtank per huishouden van 3 tot 5 m3.

Het is ook mogelijk het gebruikte douchewater in te zetten voor toiletspoeling. Dit vraagt natuurlijk aanpassingen aan de afvoerleiding van de douche rechtstreeks naar een separaat buffervat. Dergelijke ingrepen vragen forse  aanpassingen in water en afvoerleidingen en zijn om die reden vooralsnog vooral bij nieuwbouw of ingrijpende totale renovaties haalbaar. 

Voordeel voor alle machines en leidingen is dat er, door het ontbreken van kalk in regenwater, geen risico meer bestaat op slechter functioneren door kalkafzetting. Ook kalkafzetting in douche, bad en toilet behoort dan tot het verleden, waardoor het gebruik van reinigingsmiddelen drastisch kan worden teruggebracht.

Wanneer regenwater ook voor andere toepassingen dan alleen toiletspoeling wordt gebruikt zoals in de wasmachine of voor het douchen, zijn wel extra reinigingsstappen wenselijk en/of noodzakelijk.

Kansen voor de zeer nabije toekomst

Het is mogelijk met hemelwater volledig in de vraag naar (drink-)water te voldoen
De Drop2Drink unit (d2dwatersolutions.com) is ontwikkeld om in de woning regenwater tot drinkwater­kwaliteit te reinigen.

Het regenwater wordt in 4 fasen met meerdere gekoppelde filters gereinigd:  1) een microfilter (5 μ), 2) een actief kool filter, 3)een ultra membraanfilter (0,01μ) en 4) een behandeling met ultraviolet licht eenheid van 30 W. Deze fasen worden in een en dezelfde installatie doorlopen. De installatie vergt een aansluiting van 230 V en verbruikt 40W. De capaciteit van deze installatie is 30 liter per minuut (1,8 m3/uur) zodat in de vraag naar water voor zowel het douchen als voor wastafels en voor de was- en de afwasmachine en al het andere water met het gereinigde regenwater kan worden voorzien.

DeDrop2Drink unit wordt ‘plug & play’ geleverd. Het geheel heeft afmetingen van 1,2 x 0,55 x 0,45 m en weegt 29 kilo. De unit is voorzien van een beheers- en controlesysteem met internet aansluiting. De membranen worden automatisch iedere 24 uur op een correcte werking gecontroleerd.
Het is met deze D2D Unit mogelijk gebruikt water uit de douche, wastafels, wasmachine en afwasmachine weer tot drinkwaterkwaliteit te zuiveren.

Misschien is het in de nabije toekomst dan ook mogelijk de warmte uit het water van de douche, wasmachine en afwasmachine via een aparte warmtewisselaar terug te winnen en te gebruiken en deze warmte te gebruiken voor het (voor-)verwarmen van vers douche of waswater.

Eindnoten

[1]  Zo zorgt een Nebia Spa Shower 2.0 voor een besparing van100 liter warm water per dag bij 4 personen per huishouden. Dat komt neer op 350 x 100 = 35.000 liter ofwel 35 m3 per jaar. Voor het verwarmen van water (de energie-inhoud) is 4,2 kJ per liter en per graad temperatuurverschil nodig. Jaarlijks hoeft dus 35 m³ water niet verwarmd te worden van leidingwatertemperatuur (10 ?C) tot 60 ?C. (Het water wordt standaard tot 60 ?C verwarmd en via de mengkraan met koud water tot de geschikte douchetemperatuur [ca. 40 ?C] teruggebracht).

[2]  Primaire energie is de energie in bijvoorbeeld kolen, olie, gas, ureum. Bij de productie van elektriciteit uit primaire energie gaat veel energie verloren, doordat het bouwen van de centrale en het transportnet energie kost, koelwater en rookgassen circa 60% van de verbrandingsenergie afvoeren en de elektriciteitskabels en -draden weerstand hebben. Dit verlies aan energie moet betrokken worden bij het vergelijken van energiematerialen of -activiteiten.
Energie wordt uitgedrukt in de eenheid joule (= 1 Ws (Wattseconde) = 1 Nm (Newtonmeter)).
Vermogen (energieverbruik) wordt uitgedrukt in energie per tijdseenheid 1 W (Watt) = 1 J/s (Joule per seconde)
Qua energie-inhoud staat 1 kilowattuur (kWh) elektriciteit gelijk aan 3,6 Megajoules (MJ).
Eén Watt is 1 Joule per seconde, dus 1 kWh is 1.000 Watt gedurende 3.600 seconden.
Om 1 kWh energie te produceren, is 11,8 MJ aan primaire energie nodig. Van 11,8 MJ primaire energie naar 3,6 MJ elektriciteit uit het stopcontact treedt dus een verlies op van bijna 70%! Bij energieanalyses wordt vaak gerekend met Megajoules: MJ (energie-inhoud) of MJ/jaar (energieverbruik).
Maar dat zijn afgeleide eenheden; bij Watt kunnen we ons vaak meer voorstellen.
Daarom presenteren we de energieverbruiken in Wpp: Watt primaire energie per persoon.
Het energieverbruik uitgedrukt in Wpp is het gemiddelde, continue verbruik van één persoon om (een bepaald onderdeel in) de waterketen te realiseren (aanleg), in stand te houden (onderhoud) of te laten functioneren (gebruik). Een Watt primaire energie per persoon (1 Wpp) is als volgt om te rekenen naar Megajoule per jaar:
1 Wpp is 1 Joule per seconde per persoon. Als 1 persoon een heel jaar 1 Wpp gebruikt is dat: 365 dagen x 24 uur x 3600 seconden x 1 J = 31,5 MJ/jaar. Wpp geeft dus aan hoeveel primaire energie een persoon gemiddeld per seconde gebruikt. Omdat we daarbij rekening houden met circa 70% energieverlies voor elektriciteitsproductie is 1 Watt uit het stopcontact gelijk aan 3,3 Wpp.
Dus 1 Wpp = 31,5 Megajoules/jaar
Ontleend aan bron RIONED 2012 (boekje “Water en energie)

[3]  De Waterschappen zijn verplicht een RWZI zo te ontwerpen en te exploiteren dat deze, met normaal weer, goed werken. Men hoeft dus geen rekening te houden met bijvoorbeeld extreme neerslag. Normaal gesproken mag het effluent de maximale grenswaarden van 20 mg/l biochemisch zuurstofverbruik (BZV), 125 mg/l chemisch zuurstofverbruik (CZV) en 30 mg/l aan opgeloste stoffen per etmaal (met normaal weer) niet overschrijden. Ook zijn er (als jaargemiddelde) grenswaarden vastgesteld voor de concentratie aan totaal stikstof en totaal fosfor.
Bron: Vewin/Infomil

[4]Dagelijks gebruiken we in Nederland gemiddeld 120 liter drinkwater per persoon. Bij 4 personen per gezin is dat ca 480 liter per gezin per dag. Met een opslag van 10.000 liter kun je dus 20 dagen vooruit. Met de juiste filtratie kan met dat regenwater zo goed als alles: vaatwasser, afwasmachine, zelfs douchen. 
N.B. Het is vrijwel onmogelijk met vaste hoeveelheden water per minuut of per activiteit te rekenen. Iedere persoon en huishouden heeft zijn eigen specifieke gebruiksgegevens. Cijfers over gebruik verschillen bovendien vaak per bron. Bedenk dat het er niet om gaat dat een gegarandeerde besparing te ‘bewijzen’ maar dat het gaat om het onderbouwen van de strekking van de redenering.

Deze bijdrage werd eerder, op 22-08-2019, gepubliceerd als blog op VIBAEXPO.nl

Water als grondstof

In Nederland hebben we wat met water. In de wereld zijn we vooral bekend om onze voortdurende strijd tegen het water van de zee. We moeten er veel voor doen ons ons laag gelegen land tegen overstromingen te beschermen.

 Door de stijging van de zeespiegel moeten we in ieder geval onze zeedijken verhogen en de bescherming van de kust verder opvoeren. Binnenkort wordt de Afsluitdijk flink onder handen genomen om aanvallen vanuit de Waddenzee in ieder geval tot 2050 te kunnen weerstaan.

In het hoogwaterbeschermingsprogramma is vastgelegd dat jaarlijks ongeveer 25 kilometer van de ongeveer 3150 kilometer keringen in Nederland aan de nieuwe situatie worden aangepast. Het aanpassen van alle keringen vereist in dit tempo ongeveer 126 jaar (= 3150 : 25). Zelfs bij verdubbeling van het uitvoeringstempo is er nog ruim 60 jaar nodig. Hoe toekomstgericht zijn die aanpassingen? Recent internationaal onderzoek toont aan dat de wereldwijde zeespiegelstijging sneller kan verlopen dan vooralsnog is aangenomen. Werd in Nederland tot op heden uitgegaan van een stijging van 0,85 tot maximaal 1,30 meter in 2100, volgens het nieuwe onderzoek kan dat in 2100 al 2 meter zijn en kan het verder oplopen tot wel 8 meter in 2200. Daarom is het raadzaam bij de huidige aanpassingen al vast uit te gaan van de situatie zoals die aan het einde van deze eeuw wordt verwacht.

Ondergrond klinkt in Maar het is niet alleen de stijgende zeespiegel die een risico vormt voor ons lage landje. In onze ondergrond komen veel veenlagen voor. Op zich vormde dat geen groot probleem totdat werd besloten de grondwaterstand flink te verlagen. De reden daarvoor was dat daardoor grote gebieden makkelijker bebouwd konden worden en de agrarische sector meer mogelijkheden kreeg om de productiviteit fors te verhogen.

Wat bij die keuze onderbelicht bleef was het versneld, onomkeerbare, inklinken van de dieper liggende veenlagen met een voortdurende bodemdaling tot gevolg. In het gebied tussen Woerden en de strandwallen in het westen moet rekening worden gehouden met een bodemdaling van 3 à 4 meter. Uiteindelijk gaat een dergelijke forse bodemdaling ook een rol spelen bij de maatregelen die nodig zijn om die gebieden droog te houden.

Consequenties stijging zeewater en daling bodem

Rivierdijken Zeker als zeer hoge waterstanden in de grote rivieren steeds vaker en langduriger plaatsvinden moeten ook de rivierdijken hoger en breder worden. Het water uit de polders moet bovendien via de boezems naar de rivieren met die hoge waterstanden worden gepompt. Het verhogen en verstevigen van de rivierdijken langs die dalende polders kost veel ruimte en het droogpompen van die polders kost een enorme hoeveelheid energie. De vraag is natuurlijk in hoeverre dat ook op de lange termijn (macro-economisch) haalbaar is. Dit nog afgezien van de vraag hoe aangenaam het wonen is als je in een diepe kuil leeft, omgeven door echt zeer hoge dijken die miljoenen kubieke meters water moeten keren.

Afvloeiing rivieren naar zee

Door de stijgende zeespiegel verandert ook het punt waarop rivieren hun water nog op natuurlijke wijze, op basis van niveauverschil, automatisch in zee kunnen lozen. Afhankelijk van de omvang van de zeespiegelstijging komt dat punt komt steeds verder landinwaarts te liggen. Bij een zeespiegelstijging van 1 meter is de invloed van getijden op de Waal al in Zaltbommel merkbaar en bij 2 meter al bijna tot in Tiel. Als gevolg hiervan ontstaat een regelmatige stuwing in het af te voeren rivierwater hetgeen extra eisen stelt aan de hoogte van de rivierdijken meer landinwaarts.

Verzilting grondwater Een ander belangrijk effect van de hogere zeewaterspiegel is dat het zoute zeewater door kwel, via de ondergrond, achter de zeedijken weer naar boven komt. Naar onderzoeken uitwijzen is deze invloed landinwaarts tot een afstand van 10 à 15 kilometer vanaf de kustlijn merkbaar. Hierdoor neemt het zoutgehalte van het grondwater toe en dat is, door een verandering in de beschikbaarheid van zoet water, van invloed op bijvoorbeeld de landbouw en de productie van drinkwater.

Op de (zeer) lange termijn kan het huidige grondwater brak en zelfs zout worden.

Overlast grondwater De toenemende kwel zal ertoe leiden dat steden in de randstad te maken krijgen met forse grondwateroverlast die grote gevolgen kan hebben voor bijvoorbeeld bouw- en graaf-activiteiten. Ook zal het in de steden door grondwateroverlast en een stijgende grondwaterspiegel daardoor minder makkelijk worden om bij hoosbuien grote hoeveelheden regenwater via infiltratie en inzijging direct af te voeren.

Drinkwater De drinkwaterproductie in de “Amsterdamse duinen”, verantwoordelijk voor de drinkwatervoorziening voor een groot deel van de Randstad, lijkt vooralsnog niet echt in gevaar te komen. Maar zodra daar problemen gaan optreden zal het drinkwater vanuit andere gebieden moeten worden aangevoerd. In dat geval is het extra van belang dat de vraag naar drinkwater fors wordt teruggedrongen.

Bron:  m.n. Deltares

Regenwater Nederland ligt grotendeels onder de zeespiegel en moet zich tegen overstromingen beschermen. De klimaatverandering leidt niet alleen tot een zeespiegelstijging maar zorgt ook voor frequentere en extremere regenbuien.

Afvoer via riolering Hemelwater wordt in Nederland in principe via de riolering naar rioolwaterzuiveringsinstallaties afgevoerd. Door de toenemende bebouwing en verharding van het grondoppervlak is het bestaande riool stelsel niet of nauwelijks in staat dat enorme aanbod van regenwater te verwerken. Uitbreiding van het bestaande rioolstelsel, uitsluitend om op piekmomenten voldoende bergingscapaciteit te kunnen leveren, vergt enorme investeringen.

De jaarlijkse neerslagsom in Nederland is tussen 1910 en 2017 gelijkmatig gestegen van 690 naar 874 millimeter. Dit is 27% in 108 jaar. Langs de kust is de toename met 30 tot 35% (200 tot 250 mm) het grootst. Langs de oostgrens en in het zuidoosten is de toename wat minder groot 10 tot 25% (70 tot 170 mm).

Gemiddeld is de neerslaghoeveelheid in Nederland 870 mm per jaar ofwel 870 liter per m2. Dit betekent per maand gemiddeld 72,5 mm en per dag 2,4 mm regen. Nederland telt jaarlijks ongeveer 125 regenvrije dagen. Bovendien regent het maar 7% van de tijd, zodat slechts 570 uur sprake is van neerslag. Omgerekend betekent dat 3,6 mm per m2 per “regendag” en 1,5 liter regen per m2 per “regenuur”.

Afvoer via onverhard oppervlak Bij onverhard oppervlak verdwijnt het hemelwater volledig in de ondergrond. Iedere m2 groen voorkomt dat gemiddeld 870 liter hemelwater via het riool wordt afgevoerd.

Door te voorkomen dat hemelwater direct in de riolering terecht komt, raakt het rioolstelsel op piekmomenten niet overbelast en dat voorkomt overstromingen en waterschade. Omdat minder water in het riool terecht komt hoeft er minder water getransporteerd en verpompt te worden en neemt het aanbod van relatief schoon water op de rioolwaterzuiveringsinstallatie af. Dat betekent enerzijds dat minder water gezuiverd hoeft te worden en anderzijds dat de effectiviteit van de zuivering toeneemt.

Besparing De besparingen betreffen zowel de variabele kosten voor transport zoals bijvoorbeeld pompenergie als de variabele (energie-) kosten voor de  zuivering. ‘Groen Loont!’ geeft aan dat de gemiddelde zuiveringskosten voor regenwater circa € 0,18 per mbedragen. De transportkosten via het riool dalen met ca € 0,10 per m3.

Iedere m3 hemelwater die niet in het riool terecht komt levert dus een besparing op van circa € 0,20 tot € 0,30. Per m2 onverhard, groen, oppervlak is dat een besparing van gemiddeld € 0,22 op afvoer en zuivering van regenwater.

Oplossen overschot en tekort water Wanneer alle neerslag in natte periodes regelrecht wordt afgevoerd, neemt het risico van een watertekort in droge periodes, zoals voor beregening van gewassen, toe.

Wateroverschot tijdelijk opslaan Door in stedelijke gebieden wateroverschotten tijdelijk op te slaan wordt een bijdrage geleverd aan het oplossen van beide kanten van de  hemelwaterproblematiek (overschot en tekort).

  • Een gemiddelde woning in Nederland heeft een dakoppervlak van 70 m2. Bij een afvoer coëfficiënt (verhouding directe afvoer en neerslag) van 0,9 en een gemiddelde maandelijkse neerslag van 72 mm, bedraagt de maandelijkse hoeveelheid beschikbaar hemelwater 70 m2 x 0,9 x 0,072 m = 4,5 mofwel 4500 liter. Dit is voldoende om een langere periode van relatieve droogte te overbruggen.
  • Per dag vraagt toiletspoeling ca 35 liter water per persoon. Bij 3 personen per woning zijn deze 4500 liter hemelwater voldoende om gedurende 42 dagen aan de behoefte te voldoen. Voor toiletspoeling en wassen van kleding samen bedraagt het gebruik ca 50 liter per persoon per dag en is de hoeveelheid regenwater toereikend om voor 30 dagen in de vraag te voorzien.
    Met een gemiddeld gebruik van 120 liter water per persoon per dag is met 35 liter voor toiletspoeling een besparing van 29% op drinkwater mogelijk. In het geval ook kleding met hemelwater wordt gewassen is de besparing ruim 41%.
  • Voor een medewerker op kantoor of bedrijf is gemiddeld per dag 16 liter water voor toiletspoeling nodig. Uitgaande van 45 weken van 5 dagen per week komt dat neer op een verbruik van 3600 liter per jaar of wel 300 liter per maand. Deze hoeveelheid regenwater is te bereiken met een oppervlak van nog geen 5,5 mplat dak. (afvoer coëfficiënt van 0,8 en bij 72 mm neerslag). Bij kantoren en veel bedrijven is vrijwel het gehele watergebruik bestemd voor toiletspoeling en schoonmaken zodat met het gebruiken van hemelwater een enorme reductie op drinkwater gebruik is te bereiken. Tegelijkertijd zorgt het opslaan van hemelwater bij kantoren en bedrijven voor een enorme reductie van de piekbelastingen van de riolering.

Juist vanwege de grote dakoppervlakken van kantoren en bedrijven zorgt hergebruik van hemelwater en het opvangen van regenwater in buffers voor een forse reductie van de piekbelastingen. Indien de capaciteit van de buffers ontoereikend is voor het aanbod kan het water via een overloop worden afgevoerd naar oppervlaktewater of vijver. Koppeling van een buffer-/opslagsysteem aan zogenoemde infiltratiekoffers ontlast de riolering permanent. Daarmee is neerslag in het gebied vast te houden en kan water op natuurlijke wijze langzaam in de grond zakken. Voor de haalbaarheid en effectiviteit van de inzet van dergelijke infiltratiekoffers is de ondergrond mede bepalend; in zandgrond verloopt het transport van water makkelijker dan in kleigrond.

Installatie voor gebruik regenwater

bron Golan Tech

Een installatie voor het gebruik van regenwater omvat een filter, reservoir, pomp, een aansluiting op de leidingen naar de gebruikspunten en een overstort al dan niet in combinatie met infiltratiekoffers. Wanneer de regenwatervoorraad te gering is wordt de noodzakelijke buffervoorraad per dag met drinkwater aangevuld. (afbeelding is ontleend aan GolanTec energietechniek)

Opvang verontreinigingen Filters beschermen het systeem tegen beschadigingen en verwijderen vaste verontreinigingen (bijvoorbeeld blad). Afhankelijk van de uitvoering en de capaciteit  is er de keuze uit buisfilters of cycloon- en cascadefilters. Fijnere verontreinigingen vormen een sliblaag in de opslagtank waaruit het makkelijk kan worden weggezogen.   

De keuze van de buffertanks wordt bepaald door de grootte en de plaats. Er is een grote verscheidenheid aan uitvoeringen op de markt in zowel beton als kunststof.

Bij kleinere capaciteiten genieten kunststof tanks de voorkeur. Is er sprake van hoge grondwaterstand dan kan een laag grind het opdrijven voorkomen. Voordeel daarvan is dat zo’n laag de ontwikkeling van micro-organismen, die verontreinigingen afbreken, stimuleert. De ruwe wanden van betonnen opslagtanks zorgen voor datzelfde effect.

Plaatsing installatie In kantoren en bedrijven is het soms mogelijk de opslagtank op de hoogste etage te installeren en het water via zwaartekracht naar de toiletten te leiden. Bevindt de opslagtank zich op of onder de grond dan moet het water met een standaard hydrofoor (drukverhogingsinstallatie) naar de toiletten worden gepompt.

Aanvullen met drinkwater Om ook tijdens langere droge perioden over voldoende spoel- en waswater te beschikken zorgt een afgestemd drinkwater toevoersysteem ervoor dat de opslagtank niet droog valt. Het aanvullen met drinkwater is voldoende voor het gebruik van een dag. Het aanvullen voorkomt tevens dat het slib indroogt en voor extra verontreinigingen zorgt. Wanneer het aanbod van regenwater groter is dan de capaciteit van de voorraad tank loopt het overschot via een overloop naar een infiltratiekoffer of oppervlaktewater en in het uiterste geval naar de riolering.

Drinkwater Zoals de term aangeeft is drinkwater van een zodanige kwaliteit dat deze veilig is om meteen te drinken. In Nederland gaat het om een afname van ongeveer 3.000.000 m3 per dag. Waterleiding bedrijven zuiveren grond- of oppervlakte centraal tot drinkwaterkwaliteit en distribueren dit als drinkwater via een fijnmazig netwerk.

Watergebruik in Nederland Niet alle bronnen gaan uit van dezelfde hoeveelheid water die in Nederland per persoon in het huishouden wordt gebruikt. Om die reden is uitgegaan van afgeronde getallen.

bron vitens

Slechts klein deel wordt gebruikt als drinkwater Nederland beschikt over een uitgebreid leidingstelsel voor aanvoer en distributie van drinkwater waarop alle gebouwen in Nederland rechtstreeks zijn aangesloten. Al dat gedistribueerde water is van een zeer hoogwaardige kwaliteit is en voldoet aan de hoogste eisen die aan gezond en veilig drinkwater worden gesteld. En dat terwijl slechts een zeer klein deel als drinkwater wordt gebruikt. Het merendeel van het water niet wordt gebruikt voor activiteiten die zo’n hoge kwaliteit vereisen.

Van de ca 120 liter drinkwater die we per persoon per dag gebruiken wordt hooguit 10 liter op zo’n manier gebruikt, dat het gebruik van zuiver drinkwater daarvoor denkbaar, gerechtvaardigd of noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat het wordt gedronken of direct of indirect in aanraking komt met voedsel.

Dat betekent dat per dag per persoon zo’n 110 liter drinkwater bespaard kan worden.

Gezond en veilig drinkwater in de toekomst? In de wetenschap dat ook de beschikbaarheid, leveringszekerheid, zuiverheid en betaalbaarheid van drinkwater in Nederland al onder druk staat of nog verder komt te staan ligt het voor de hand te zoeken naar alternatieven voor de vraag naar water.

Ook bij energie en grondstoffen is het gebruik groter dan maatschappelijk, ecologisch en economisch verantwoord en haalbaar is. Daarom is het logisch dat daar allereerst wordt gekeken naar de mogelijkheden om het gebruik terug te dringen. Simpelweg omdat het voorkomen beter is dan genezen en dat alles waar geen vraag naar is, niet hoeft niet te worden geproduceerd, gedistribueerd en daar dus ook niet voor hoeft te worden betaald.

Besparen op gebruik drinkwater Er bestaan talloze sites waar adviezen zijn te vinden hoe te besparen op het gebruik van (drink-)water. De afgelopen jaren is, ondanks de groei van de bevolking, het gebruik van drinkwater in Nederland licht gedaald. Dat heeft mede te maken met de aankoop van (af-)wasmachines die minder water gebruiken en een toenemend aantal waterbesparende opties bij toiletspoeling en douchekoppen. Ook het gebruik van het bad is afgenomen maar daar staat een frequenter en langer gebruik van de douche tegenover.

Besparen van drinkwater kan ook door intensiever gebruik te maken van de natuur die ons bij de vraag naar water met grote regelmaat voorziet van schoon, vers en vooral zoet water in de vorm van regen of sneeuw. Zo voorziet de natuur ons ook met zon en wind aan de vraag naar energie.

Bij energie vindt het aanbod van zon en wind niet permanent plaats en is tijdelijke, tussentijdse, opslag noodzakelijk. Datzelfde geldt voor het aanbod van water en sneeuw. Er is niet dagelijks sprake van de hoeveelheid regen die we nodig (denken te) hebben en dus moet er gekeken worden naar mogelijkheden voor tijdelijke, veilige, tussentijdse, opslag.

Om nu de vraag naar opslagcapaciteit voor water niet al te ver op te laten lopen is het raadzaam te beginnen met een aantal maatregelen die de vraag naar water substantieel beperken. Meer daarover in een volgend artikel.

Praktische oplossingen en achtergronden

www.mijnwaterfabriek.nl/ |   Systemen voor circulaire watersystemen www.golantec.be/Regenwater.htm |   Installatie voor gebruik regenwater www.biocompact.nl/urimat-watervrije-urinoirs/ |   Ecologische urinoirs. www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/water/waterkwaliteit |   Kwaliteit 2016. www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/geneesmiddelen/medicijnresten-in water   |   Medicijnresten in water. www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/geneesmiddelen/documenten/kamerstukken/2017/10/19/ketenaanpak-medicijnresten-uit-water |   Kamerbrief www.wisa-sanitair.com/nl/downloads/dl/file/id/1554/product/0/wisa_wst_brochure.pdf |   Water Saving Technology   pro.villeroy-boch.com/nl/nl/bw/m/Architectura-Diepspoelcloset-zonder-spoelrand–5684R0.html?_ga=2.234096091.430125769.1528288411-357581651.1528288411 |   minder schoonmaak middelen nodig www.energiezuinigwassen.nl/ |   Warmte winnen uit gebruikt warm water. vng.nl/raadgevers/fysieke-leefomgeving/klimaatbestendige-gemeenten |   Wateropgave in klimaatbestendige stad > hittestress en koeling.

De bijdrage werd eerder, op 12-06-2018, als blog gepubliceerd op VIBAEXPO.nl

Watertekort ondanks wateroverschot

Water genoeg De hoeveelheid water op aarde is al tientallen miljoenen jaren gelijk. Water verdampt uit oceanen, zeeën en oppervlakte wateren en komt weer als regen of sneeuw op het land terecht. Water is er genoeg in de wereld, maar het probleem is dat 97,5 % zout en slechts 2,5 % zoet water is. Van dit zoete water is zo’n 65 % bevroren en maar 35% is beschikbaar als oppervlaktewater en grondwater. Veilig water bepaalt het   leven, het vormt een absolute voorwaarde voor het voortbestaan van mensen, dieren en planten.

Ontzouten/ontzilten verbruikt enorm veel energie Niet voor niets zijn beschavingen en volkeren vooral gevestigd aan zee of langs de oevers van een rivier. Om de groeiende bevolking van drinkbaar, zoet, water te voorzien worden wereldwijd, in al meer dan 150 landen, talloze ontziltingsinstallaties gebouwd. Het vereist enorme hoeveelheden energie om dat zoute water in stoom te veranderen waarbij het zout achterblijft om daarna de stoom/waterdamp te laten condenseren in water.

De meeste toegepaste technieken voor het ontzouten van water zijn, ‘omgekeerde osmose’, elektrodialyse, destilleren en de ionenwisselaar.[1]

Ook de huidige meest toegepaste en economisch gunstigste methode van ‘omgekeerde osmose’, gebruikt nogal wat energie. Gezocht wordt dan ook naar andere technieken en methoden. Nadeel van welke methode dan ook is dat er altijd grote hoeveelheden pekel overblijven. Het gevolg is dat op sommige plaatsen – in wat ondiepere wateren – het zoutgehalte al is verhoogd, waardoor het ontzilten weer moeizamer en duurder wordt.

Intensievere neerslag en verzilting Er doemen ook nog andere grote problemen op. Hoe warmer ons klimaat wordt des te meer water er verdampt en des te heviger de neerslag in de vorm van hoosbuien en sneeuwstormen wordt. Bedreigend is het gegeven dat door een stijgende zeespiegel en een inklinkende bodem de verzilting van landbouwgronden langs de kust onafwendbaar is geworden.

Gebruik van water Van alle water dat we dagelijks gebruiken houdt maar 2 % verband met het huishoudelijk gebruik en is 31 % gekoppeld aan en een gevolg van de consumptie van industriële producten. Maar liefst 67% is direct verbonden aan de consumptie van agrarische producten en daarvan is weer 46% nodig voor de productie van vlees en andere veeproducten.

Onze Nederlandse voetafdruk voor waterverbruik bedraagt niet minder dan 2.300.000 liter water per inwoner per jaar. Zo’n 90% daarvan wordt (als producten en diensten) geïmporteerd uit landen met waterschaarste zoals Spanje, Sudan, China en India. De groei van de wereldbevolking, vaak geconcentreerd in gebieden waar de waterschaarste al enorme proporties heeft aangenomen, zorgt voor een toenemende schaarste aan veilig, drinkbaar, water.

In 2025 wonen bijna 2 miljard mensen in gebieden waar een gebrek is aan water. Hun bereidheid om dat schaarse water dan te gebruiken voor de productie van exportgoederen neemt steeds verder af.

Minder consumeren Wereldwijd is zuinigheid geboden. Beperken van het directe gebruik van drinkwater in Nederland is niet genoeg. Juist door onze enorme watervoetafdruk zullen we ook de consumptie van industriële en agrarische producten, die onevenredig veel water nodig hebben, aanzienlijk moeten terugbrengen.

Door het terugtrekken van gletsjers en omdat de sneeuw in berggebieden ieder jaar opnieuw in nog kortere tijd weer weg smelt, is gespreide aanvoer en gelijkmatige voeding van rivieren gedurende het jaar op langere termijn niet meer gegarandeerd.  Door periodiek lage waterstanden en beperkte debieten van rivieren ligt verdroging van gebieden op de loer.

Aard en snelheid veranderingen onzeker Het is onvoorspelbaar wanneer en hoe snel de hoeveelheid smeltwater afneemt. Valt overvloedige neerslag in berggebieden straks in de vorm van regen of sneeuw? Wat is het effect op de stijging van de temperatuur als sneeuw minder lang blijft liggen? Wat zijn de gevolgen als door de afname van de weerkaatsing van de zonnestralen de donkere steenmassa’s de warmte sneller absorberen? Wat zijn de gevolgen op langere termijn van veranderingen in temperatuur en windrichting?

Dat er forse veranderingen gaan plaatsvinden staat vast, al is het tempo onzeker; afhankelijk van plaatselijke factoren gebeurt dat binnen 2 of 3 decennia. Het gaat gebeuren, dat staat vast. En dit heeft ingrijpende gevolgen voor de directe watervoorziening, dalende voedselproductie door periodieke overstromingen of droogte, minder elektriciteit uit stuwmeren, wegtrekkende bevolking en conflicten die de strijd om zoet drinkbaar water oproept met andere landen.

Lessen In droge gebieden, waar de waterkwantiteit en dus ook de waterkwaliteit wisselt met de seizoenen, zullen de problemen zich verder opstapelen. In de droge perioden vormt gebrek aan veilig water nu al voor veel ziekten en zieken. Niet alleen omdat het water dat noodgedwongen wordt gebruikt eigenlijk ongeschikt is als drinkwater, omdat het teveel ziektekiemen en verontreinigingen bevat, maar ook omdat het gebrek aan veilig water normale, minimale hygiënische handelingen als handen wassen onmogelijk maakt. Dit gebrek aan hygiëne leidt dan weer tot veel ziekten,  diarree en verzuim.

Neveneffecten van waterschaarste Veel mensen die in droge gebieden wonen hebben nu nog bijna een dagtaak aan het ‘water halen’. Zou er voldoende schoon en veilig water in de directe nabijheid beschikbaar zijn dan kunnen deze mensen hun tijd besteden aan onderwijs, het zelf verbouwen van voedsel en het verwerven van inkomsten.

Voldoende schoon en veilig water in de directe nabijheid In principe is dat mogelijk door in het regenseizoen regenwater op te vangen en op te slaan in grote collectieve, gesloten, opslagreservoirs. Dat water moet voor gebruik worden gereinigd.

Daarvoor bestaat in zonovergoten gebieden een simpele methode;  vul PET flessen met water uit het opslagreservoir, leg die flessen met de dop naar beneden op een schuin liggende metalen plaat in de volle zon. De UV-A straling doodt binnen een etmaal alle aanwezige virussen, bacteriën en parasieten en is het water veilig drinkbaar. (Zwitserse methode SODIS; Solare Wasserdesinfektion)

In het volgende deel wordt ingegaan op de situatie in Nederland.[1] https://www.lenntech.nl/ontzilting.htm#ixzz54Rbhhnzk

Dit artikel werd eerder, op 18-01-2018, gepubliceerd als blog op VIBAEXPO.nl

Moeten onze huizen van het aardgas af? Of leggen we het accent op het beperken van de uitstoot van CO2 ?

Door de oplopende concentratie van CO2 in de lucht is er sprake van een gestage opwarming van de aarde. De toenemende opwarming heeft flinke consequenties voor de leefbaarheid op aarde. Grote gebieden kunnen door te hoge temperaturen, te weinig neerslag, hevige stormen of frequente overstromingen onleefbaar worden. De habitat van dieren en planten zal veranderen en door hun wederzijdse afhankelijkheid zal de biodiversiteit wereldwijd verschralen.
Ook het leven van miljoenen mensen zal door een afnemend leefgebied onomkeerbaar veranderen. Zowel op regionale als mondiale schaal ontstaan enorme humanitaire problemen op het gebied voeding, water, gezondheid en bestaansmogelijkheden. Verwacht wordt dat grote stromen van miljoenen klimaatvluchtelingen op gang komen. Mensen trekken, als milieuvluchteling en onschuldig aan de oorzaken van alle ellende, massaal weg uit de gebieden die langzaam maar zeker onleefbaar worden.

Om deze gevolgen van de toenemende CO2 in de atmosfeer tegen te gaan is er in Parijs door de regeringsleiders van vrijwel alle landen afgesproken de oorzaak van deze ontwikkeling weg te nemen. Een zeer belangrijke oorzaak en bron voor de toename van CO2 is het gebruik van fossiele brandstoffen. Een logische consequentie is dat het gebruik van fossiele brandstoffen flink moet worden teruggeschroefd.
Lange tijd is de relatie tussen de opwarming van de aarde/ toenemende concentratie van CO2 in de atmosfeer en het gebruik van fossiele brandstoffen genegeerd/ontkent/ gebagatelliseerd. De hele wereld gebruikt voor verwarmen, koelen, transport en producten en productieprocessen fossiele brandstof. Deze was relatief eenvoudig te winnen, in verschillende vormen beschikbaar en op diverse manieren toepasbaar.
In het recente verleden is duidelijk geworden dat de voorraden van al die verschillende fossiele brandstoffen weldegelijk eindig zijn en dat daardoor de beschikbaarheid en betaalbaarheid echt niet altijd meer gegarandeerd zouden kunnen worden. En omdat niet overal ter wereld voorraden van fossiele brandstoffen beschikbaar waren, werd er hevig gehandeld in deze producten. De beïnvloeding van levering, beschikbaarheid en prijs werden ingezet als wapen/drukmiddel bij geopolitieke conflicten of het najagen van kapitalistische groei ambities.
Zo werd Nederland door de oliecrisis in de jaren 80 gedwongen maatregelen te treffen om het gebruik van olie en ook andere energie, zoals aardgas, direct terug te dringen. Er werd opgeroepen om het gebruik van olie en gas voor het verwarmen van woningen en gebouwen te verminderen. De kierenjacht vormde in die jaren de basis voor de isolatie maatregelen. Als gevolg van die kierenjacht ontstonden er in de woningen problemen met vocht en schimmel en nam de kwaliteit van de lucht binnen door onvoldoende aanvoer van frisse lucht af.

Hierdoor, een gevolg van het gebrek aan voldoende maar gereguleerde ventilatie, kreeg isoleren ook een negatieve klank. Mede daardoor heeft het nog vele jaren geduurd voordat het vergaand beperken van het gebruik van fossiele brandstoffen, eenvoudig door beter isoleren van nieuwbouw woningen, in de bouwregelgeving werd opgenomen.

In de jaren 70 was er, buiten de wetenschappelijke wereld, weinig bekend over de relatie tussen het gebruik van fossiele brandstoffen en de CO2 uitstoot. Dat verklaart dat in de bouwwereld en de bouwregelgeving van de overheid, de relatie tussen de vraag naar fossiele brandstoffen voor bijvoorbeeld verwarming en gevolgen voor het klimaat nog helemaal niet werd gelegd.

Het duurde tot 1992 toen in het Bouwbesluit, overigens gebaseerd op NEN 1068 uit 1981 (!),voor het eerst rekening werd gehouden met het beperken van warmteverliezen. Toen werd de eis voor de warmteweerstand, de Rc-eis, voor bouwdelen gebracht op 2,5 W/m2·K. In december 1995 kwam de Energie Prestatie Coëfficiënt in het Bouwbesluit en moesten nieuwbouw woningen voldoen aan de EPC-eis van 1,4. Die eis werd in 20 jaar, stapsgewijs verlaagd; in 1997 (1,2), 2000 (1,0), 2006 (0,8), 2011 (0,6) en 2015 (0,4)
Bij het vaststellen van de EPC werd in de rekenmethode aan goede isolatie minder ‘rekenwaarde’ toegekend dan aan het installeren van allerlei technische installaties. “Hoe meer installaties, des te beter” leek het devies. Er werd geen rekening gehouden met het jaarlijkse verbruik, het onderhoud en zeker niet met de kosten van de op termijn noodzakelijke vervanging van installaties. Het gebrek aan goede en voldoende isolatiemaatregelen in ontwerpen en bestekken, kon met het installeren van enkele PV panelen simpel rekenkundig worden gecompenseerd. Met als gevolg slecht geïsoleerde huizen vol dure en energievretende installaties en een niet echt gezond binnenklimaat.

Bron: Stichting PassiefBouwen

De EPC eis, bedoeld als ondergrens, werd door veel opdrachtgevers, bouwers en ook overheden direct als maximale verplichting gezien. Door “onvolkomenheden in de ontwerpen” en door “slordigheden en fouten tijdens de bouw”, bleken en blijken woningen en andere gebouwen na oplevering nog steeds vaak meer energie te verbruiken dan “op papier” was berekend en waarvoor de vergunning werd verleend.

Pas na 10 jaar wordt in 2012 dan eindelijk de Rc-eis voor bouwdelen verhoogd van 2,5 naar 3,5 W/m2·K. En in 2015 volgt de invoering van de gedifferentieerde thermische isolatie-eis met een Rc voor de vloer van 3,5 W/m2·K, voor de wanden een Rc van 4,5 W/m2·K en voor het dak een Rc van 6,0 W/m2·K.
Ondanks de toegenomen kennis en inzichten, de ontwikkeling van allerlei nieuwe producten en materialen, veranderingen in ontwerpen en processen blijft in de nieuwbouw het verbruik van energie voor verwarmen en koelen relatief hoog. En dat duurt nog even. Want de eisen voor een “Bijna Energie Neutraal Gebouw” worden pas per januari 2021 van kracht en vanaf dat moment moeten alle nieuwbouw- woningen voldoen aan die BENG eisen. Maar helaas is in het verleden gebleken dat nieuwe, verdergaande eisen geen garantie vormen voor een dalend energieverbruik. Ook een strikte toepassing van de BENG eisen zal niet automatisch leiden tot een woningbouw waarin het energieverbruik voor verwarmen en koelen nadert naar nul.

In het verleden is de bouwsector er, in samenwerking met de installatiebranche, steeds in geslaagd om de invoering van strengere eisen die zouden moeten leiden tot een lager energieverbruik in woningen te traineren. En zolang het winnen van aardgas zonder problemen verliep en het een aardige bron van inkomsten vormde voor de staat, vond men in Den Haag een willig oor voor die “overwegingen” en werd gewoon toegegeven.

En nu moeten beleggers, corporaties en woningeigenaren alsnog flink aan de bak om de schadelijke milieuhygiënische en financiële gevolgen van deze schijnwinst te herstellen, door het energieverbruik voor verwarmen en koelen toch nog te verminderen.
Dit is zo wrang, zeker als je bedenkt dat er m.n. in Duitsland al eind jaren 90 zogenoemde Passiefhuizen verschenen. Hierbij ligt het accent op het vergaand beperken van de warmtevraag door de warmteweerstand van de onderdelen van de schil te stellen op Rc ≥ 6,5 tot Rc = 10 voor het dak. Nota Bene: dat was al in de jaren ’90!!
Door deze optimale isolatie is het energieverbruik in passiefhuizen voor verwarming 10 x lager dan in de bestaande woningvoorraad en 4 tot 5 x lager dan onze huidige nieuwbouw woningen. Het totale energieverbruik voor verwarmen en koelen is voor een Passiefhuis maximaal 15 kWh/m2 ofwel 1,5 m3 aardgas per m2 vloeroppervlak. Een haarföhn is dan voldoende om een passiefhuis van 100m2 vloeroppervlakte te verwarmen. De totale primaire energiebehoefte voor alle apparaten in een passiefhuis is, van keukengerei, ventilatie, verlichting inclusief warmwater, koelen en verwarmen, samen 120 kWh/m2.
Met de bestaande materialen en bouwsystemen is dit concept ook geschikt en haalbaar voor de aanpak van de bestaande woningvoorraad. Het leidt tot vermindering van de vraag naar energie voor verwarmen en koelen met maar liefst 90%.

En natuurlijk, bij het bouwen volgens de passiefhuis eisen wordt in ieder geval probleemloos voldaan aan de verplichte BENG eisen voor nieuwbouw die vanaf januari 2021 van kracht zijn.
Het vooraf bedenken wat er gedaan moet worden om verbruik blijvend te minimaliseren, onder het motto “voorkomen is beter dan genezen”, geheel in de lijn van de Trias Energetica, is natuurlijk ook bij renovaties van de bestaande woningvoorraad mogelijk. Bestaande woningen renoveren tot een ‘passiefhuis standaard’ kan (en zal vermoedelijk ook) een hogere investering vergen dan de traditionele renovatie.

Maar het betrekken van de “total costs of ownership” in de afwegingen, het meerekenen van ‘waardecreatie’ door een hogere woningwaarde, de opbrengsten van het verlengen van de levensduur, het beperken van het gebruik van energie en water verandert “het financiële plaatje”. En bereken vooral ook de effecten van het ombouwen van bestaande woningen tot woningen met een echt gezond binnenklimaat. Betrek in die berekeningen niet alleen de afgeleide voordelen en besparingen op het gebied van milieu, klimaat, (mitigatie én adaptatie) en het behoud van sociale cohesie maar vooral ook de kosten van gezondheidszorg, zorg en welzijn.

De uitkomsten van dergelijke rekensommetjes over Maatschappelijke Kosten Baten analyses met een lange looptijd zouden voor de (rijks-) overheid een goede reden kunnen vormen om het renoveren en isoleren tot ‘passiefhuisniveau’ verplicht te stellen. Tegelijkertijd zou de overheid de betaalbaarheid van die isolerende werkzaamheden voor marktpartijen en eigenaar/bewoners, bij voorkeur via fiscale maatregelen en door aantrekkelijke vormen van “gebouwgebonden voorfinanciering”, moeten garanderen.
Uitgangspunt in de discussies moet niet langer zijn: “We moeten van het gas af, dus hoe gaan we nu verwarmen en koelen”? Centraal moet staan de vraag: “Welke maatregelen moeten we treffen om het gebruik van energie voor verwarmen en koelen fundamenteel en structureel te minimaliseren en tegelijkertijd in alle uitmuntend geïsoleerde woningen een gezond binnenklimaat te garanderen”?
Als die maatregelen (bij iedereen) bekend zijn, weten we ook welke wet- en regelgeving er moet komen, zodat / waardoor de implementatie van die maatregelen, op zowel technisch, financieel als maatschappelijk vlak, als zeer wenselijk en vanzelfsprekend wordt beschouwd.

Als de bestaande woningvoorraad de komende 30 jaar planmatig buurt voor buurt en wijk voor wijk langzaam maar zeker wordt en is omgetoverd tot comfortabele en zeer energiezuinige of zelfs energieleverende woningen heeft niemand er problemen mee dat de gasaansluiting verdwijnt. Dat gas is immers nergens meer voor nodig. Het verbruik is geminimaliseerd, het duurzaam opwekken van energie gebeurt per woning en per buurt.

De collectieve opslag van dagelijkse en seizoensoverschotten hebben de bewoners van buurten en wijken als vereniging van eigenaren onder voor hen aantrekkelijke en rechtvaardige condities in opdracht gegeven aan gespecialiseerde leveranciers en beheerders.

Niet de belangen van de leveranciers van machientjes en installaties of van de eigenaar/beheerders van netwerken moeten leidend zijn, maar de belangen van de bewoners van Nederland!!!

Ventileren, maar dan wél goed en weg met de ‘open keuken’

Natuurlijke ventilatie
We kennen het liedje wel; “Hoor de wind waait door de bomen, hier in huis zelfs waait de wind.” Natuurlijke ventilatie ten voeten uit. Maar weinig comfortabel. Om de kamertemperatuur op niveau te houden werd de kolenkachel extra opgepookt en wat jaren later werd de thermostaat wat hoger gezet. Tijdens de eerste oliecrisis bleek hoe kostbaar deze manier van ventileren en stoken was. Dus ging Nederland op kierenjacht. Zonder die ventilatiekieren was weliswaar de tocht en het warmteverlies minder maar vocht werd onvoldoende afgevoerd en hoopte zich in huis op. Dat leidde tot schimmel vorming en uiteindelijk een ongezond binnenklimaat.

Mechanische ventilatiesystemen
Van lieverlede werden de isolatie-eisen verder aangescherpt en kwamen er, noodgedwongen, nieuwe, mechanische, ventilatiesystemen op de markt.

Bij mechanische aanvoer van verse buitenlucht (systeem B) in een of twee vertrekken wordt de binnenlucht in de overige vertrekken door de overdruk die wordt gecreëerd via kieren en luchtlekken naar buiten gedrongen.

Bij de mechanische afvoer van de gebruikte binnenlucht (systeem C) wordt de lucht via een of enkele ruimten (badkamer/keuken) afgezogen, waarna de lucht uit de overige vertrekken via de overdruk via diezelfde ruimten wordt weggetrokken en afgevoerd.

Onderzoek Monicair
Uitgebreid praktijkonderzoek van Monicair heeft aangetoond dat ook bij de mechanische ventilatiesystemen B en C een gezonde binnenlucht onvoldoende is te realiseren laat staan te garanderen. (Monicair; een consortium van Leveranciers Ventilatiesystemen, TNO, TU/D, div. adviesbureaus)

Bovendien voeren deze mechanische ventilatie installaties mét de gebruikte binnenlucht ook de warmte af, met extra energiegebruik als gevolg.

Om aan eisen van zowel energieprestatie als luchtkwaliteit te kunnen voldoen moet een moderne ventilatie installatie minimaal beschikken over een warmte-terug-win systeem. (WTW-systeem) Het eerder genoemde onderzoek heeft verder aangetoond dat een goede binnenlucht kwaliteit (800 tot maximaal 1000 ppm CO2) in de verschillende vertrekken alleen mogelijk is wanneer in ieder vertrek zowel tenminste een aanvoer- als een afvoerpunt aanwezig is. (systeem D+)

Sensor gestuurde ventilatie
En dan nog is de kwaliteit van de binnenlucht alleen te garanderen als niet alleen op de CO2 concentratie wordt gestuurd. Een gezonde binnenlucht is alleen te garanderen wanneer deze in ieder vertrek, via metingen met sensoren, zowel CO2 -concentratie, als de relatieve vochtigheid als de temperatuur wordt gestuurd.

Met deze “noodzaak gestuurde ventilatie” hoeft niet, zoals het nu geregeld is, 24/7 alle lucht in het gehele huis permanent te worden vervangen. Alleen in die vertrekken waar een, of een combinatie van de 3 aspecten boven de grenswaarde komt, wordt de lucht zolang ververst, totdat een luchtkwaliteit ver onder de grenswaarden is bereikt. Door te ventileren tot ver onder de grenswaarden wordt voorkomen dat het ventilatiesysteem te frequent aan- en uitschakelt. Op deze wijze ventileren, ventileren waar dat nodig is en zolang dat nodig is, bespaart zowel op de capaciteit, als op de productie uren van de installatie, als op het energiegebruik.

Mechanische filters
Om te voorkomen dat meegevoerde deeltjes uit de “verse buitenlucht” de leidingen van het ventilatiesysteem vervuilen zijn zogenoemde balansventilatiesystemen (systeem D+) standaard uitgevoerd met ten minste grofmazige filters. Om de aanvoer van “schone” verse buitenlucht te garanderen is een combinatie van grofmazige met fijnmazige filters wenselijk. Het gebruik van dergelijke mechanische filtersystemen hebben als nadeel dat zij een drukval veroorzaken waardoor de ventilatoren extra energie gaan gebruiken.

Alternatieve filtersystemen
Er zijn ook alternatieve filtersystemen op de markt die zijn gebaseerd op elektrostatische principes. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen passieve elektrostatisch geladen filters en actieve elektrostatische filtratie.

Bij passieve systemen krijgt het filtratiemateriaal bij de productie een elektrostatische lading mee. Het verschil in lading tussen filtermateriaal en verontreinigingen zorgt voor een beter afvang van kleinere partikels, zonder de daarbij behorende hoge drukval, zoals bij fijnmazige mechanische filters het geval is. Na verloop van tijd loopt de werking en effectiviteit van deze systemen echter aanzienlijk terug en is vervanging van de filters noodzakelijk.

Bij actieve elektrostatische filtratiesystemen ontbreken de mechanische grof- en fijnmazige filters en wordt rechtstreeks aan de vervuilende stoffen in de aangevoerde ‘verse’ buitenlucht een elektrostatische lading gegeven. Deze stand-alone systemen bestaan al lange tijd maar zijn pas recentelijk te koppelen aan balansventilatiesystemen.

Verschil in prestaties
Zijn met mechanische filters verontreinigingen tot ongeveer 7 micron af te vangen, met elektrostatische filtersystemen zijn nagenoeg alle deeltjes van 0,1 micron en ook veel vervuilende deeltjes vanaf 0,01 micron uit de lucht te verwijderen. Dat betekent dat huisstofmijt, bacteriën, aerosolen, pollen en vliegas geen kans meer krijgen en ook virussen en minieme in de lucht zwevende oliepartikels en vooral fijnstof uit de aangevoerde lucht worden weggezuiverd.

Koken en Fijnstof
Uit onderzoek van TNO en de TU/D, dat nog steeds loopt, is gebleken dat bij koken en vooral bij braden en bakken (vlees, vis, aardappelen, ei etc.) veel fijnstof in de woning terecht komt. De hoeveelheid is zo groot dat de advieswaarde van de WHO voor de maximale concentratie fijnstof met een factor van meer dan 60 wordt overschreden.  Erger is dat deze fijnstof, als minieme partikels uit het bakvet, nog uren in de lucht in de woning blijft hangen. Met het ventilatiesysteem op de hoogste stand duurt het dan nog ruim 3 uur, voordat meer dan 95% van die fijnstof uit de woonkamer is verdwenen.

De recirculatieafzuigkap
Vaak wordt de recirculatiekap gekozen omdat daarmee “de warmte niet verloren gaat”.

Bij veel mensen is onbekend dat een recirculatieafzuigkap wel de geur maar niet de verbrandingsgassen afvangt. Bij koken op aardgas heeft dit extra negatieve effecten omdat ook de stikstofdioxide (NO2) weer de woning wordt ingeblazen. Ook bij elektrisch koken biedt de recirculatiekap geen soelaas; de filters van dat soort afzuigkappen vangen beperkt fijnstof af en blazen vocht en fijnstofdeeltjes weer de ruimte in.

In principe presteert een afzuigkap, van voldoende afmetingen (groter dan de kookplaat)  en met voldoende vermogen (minimaal 300 m3/uur tot 600 m3/uur), alleen goed als de afgezogen lucht met hoge snelheid, rechtstreeks, via een leiding (Ø 150 mm) liefst zonder bochten, naar buiten wordt afgevoerd. Er komt dan vrijwel geen fijnstof in de ruimte en de afzuigkap hoeft dan alleen tijdens het koken en bakken aan te staan.

Niets nieuws onder de zon
De Building Science Corporation vergeleek al in 2013 verschillende uitvoeringen van gebalanceerde ventilatiesystemen met elkaar. In het rapport wordt het afvoeren van kook- en baklucht uit de keuken via het ventilatiesysteem absoluut afgeraden. Gesteld wordt dat voor een goed werkend, energie efficiënt, gebalanceerd ventilatiesysteem, extra en aparte afzuigsystemen in keuken en badkamer noodzakelijk zijn. De gebruikte vervuilde lucht uit die ruimten (fijnstof en vochtlast) voeren die systemen rechtstreeks naar buiten af. Deze keuze is gebaseerd op het bereiken van gezonde binnenlucht en vanwege de eisen die de ventilator stelt en om vervuiling van de warmtewisselaar en de leidingen te voorkomen. Voor de badkamer gelden soortgelijke overwegingen maar dan gebaseerd op de vochtlast en condensatieproblemen.

3

Risico’s fijnstof
Fijnstof heeft forse gezondheidsrisico’s. Gebleken is dat er, zeker op langere termijn, een rechtstreeks verband bestaat tussen fijnstof (PM) en het sterfterisico onder andere door hart- en vaatziekten. Ultrafijn stof (PNC) dat ook bij bakken en koken vrijkomt gaat via de longen naar de bloedbaan en kan daar voor ontstekingsreacties en bloedstolsels zorgen. Onlangs is gestart met een onderzoek naar de gezondheidseffecten van ultrafijnstof bij kinderen nabij Schiphol.

Zie animatiefilmpje op: https://nos.nl/artikel/2207573-kinderen-bij-schiphol-onderzocht-op-gezondheidseffecten-ultra-fijnstof.html

Conclusies

  1. Een goede luchtkwaliteit in verblijfsruimtes is niet gegarandeerd zelfs niet als wordt voldaan aan de huidige wet- en regelgeving.
  2. De wet- en regelgeving inzake ventilatie systemen moet op korte termijn worden aangepast en aangescherpt zodat zowel bij nieuwbouw als renovatie verplicht wordt gesteld:
  • een balansventilatiesysteem met WTW
  • per vertrek aanvoer van verse lucht en afvoer van gebruikte lucht
  • per vertrek via sensoren CO2, relatieve vochtigheid als temperatuur sturen
  • een ‘passief elektrostatisch filter’ onderdeel vormt van het ventilatiesysteem
  • in keuken de lucht van afzuigkap rechtstreeks naar buiten wordt afgevoerd
  • in badkamer de vochtige lucht rechtstreeks naar buiten wordt afgevoerd
  1. Het onderzoek van Monicair-consortium geeft aan dat een gezond binnenklimaat alleen is te garanderen wanneer een balansventilatiesysteem met WTW is geïnstalleerd en ieder vertrek beschikt over zowel aanvoer van verse lucht als afvoer van gebruikte lucht.
  2. Met “noodzaak gestuurde ventilatie”, door via metingen met sensoren, zowel CO2 -concentratie, als de relatieve vochtigheid als de temperatuur computer geregeld automatisch bij te sturen, hoeft alleen in die vertrekken waar de grenswaarden worden overschreden de lucht te worden ververst.
  3. Het aanbrengen van een additioneel ‘passief elektrostatisch filtersysteem’ is, zeker in gebieden met hoge concentraties fijnstof voor een gezonde binnenlucht noodzakelijk.
  4. Om vervuiling te voorkomen en ter bescherming van de warmtewisselaar dient zowel de aangevoerde als de afgevoerde lucht gefilterd te worden.
  5. In keuken en badkamer is een separate afzuiging en directe afvoer naar buiten noodzakelijk.
  6. De verkoop en het gebruik van de recirculatieafzuigkap moeten met het oog op de binnenlucht kwaliteit op korte termijn worden gestaakt respectievelijk uitgefaseerd.
  7. Bij nieuwbouw mag een ‘open keuken’ slechts worden gerealiseerd wanneer het ventilatiesysteem voldoet aan de hoogste eisen en de lucht van de afzuigkap rechtstreeks naar buiten wordt afgevoerd.

 

De PV panelen gekte

De PV panelen gekte.

Hoe we het ook wenden of keren, we moeten zo snel mogelijk van de fossiele brandstoffen af. Is het niet vanwege de klimaatverandering en de gevolgen daarvan op het milieu, dan toch zeker omdat de leveringszekerheid en de betaalbaarheid niet meer zijn te garanderen en onder druk staan. Kortom Nederland moet in 2050 fossielvrij zijn.

Veel Nederlanders zijn bereid, uit overtuiging, hier hun steentje aan bij te dragen. Maar anderen zijn vooral koortsachtig op zoek naar een beter rendement voor hun spaargeld. Aangespoord door milieubeweging, vereniging eigen huis en consumentenbond laten zij zich overhalen, verleid met rekensommetjes en berekeningen over rendementen, een setje PV panelen aan te schaffen. Ook de salderingsregeling van de overheid draagt bij aan de PV panelen gekte. Leveranciers en installateurs varen er wel bij en klagen niet.

Afbeeldingsresultaat voor pv PANELEN 

Het gemiddelde energiegebruik
In de gemiddelde Nederlandse woning wordt ongeveer 3500 kWh elektriciteit gebruikt. En ook nog eens ongeveer 1800 m3 aardgas. De energie-inhoud van een m3 aardgas komt overeen met zo’n 10 kWh dus staat die 1800 m3 aardgas voor 18.000 kWh. Een simpel rekensommetje maakt duidelijk dat elektriciteit verantwoordelijk is voor ongeveer 16% van de energie vraag terwijl de verwarming 84% voor zijn rekening neemt.

Bekend is ook dat ongeveer 30% van de moeizaam met fossiele brandstof opgewekte warmte (gedurende het stookseizoen) via het dak verloren gaat en verdwijnt. Dat komt dus neer op 6.000 kWh warmteverlies ofwel 28% van de energievraag.

Met de Nederlandse wijsheid “Voorkomen is beter dan genezen” in gedachte kan ik niet anders dan concluderen dat die run op PV panelen voor velen verkeerd zal uitpakken.

De levensduur van constructies en systemen
Wat is het geval. Gemiddeld gaan PV panelen ongeveer 30 jaar mee. De levensduur van dakpannen is beperkt; voor betonnen pannen is die ongeveer 30 jaar en voor keramische pannen ca. 50 jaar. Van veel daken moeten dus de dakpannen de komende jaren worden vervangen. Dan is dat niet handig als er een PV systeem is geïnstalleerd.  Dat betekent extra demontage en montagekosten, met risico’s op schade en extra uitval.

De levensduur van bitumendakbedekking op platte daken is beperkt tot ca 15 jaar.

In één keer goed
Hoeveel efficiënter kan het zijn en worden uitgevoerd.

De oude en verweerde dakpannen gaan van het dak af. Er komt een dik isolatiepakket over het dakbeschot. Bij voorkeur natuurlijk een groot  prefab isolerend dak-element waarmee in een keer het gehele dakvlak wordt bedekt. Op dat isolatiepakket (met een isolatiewaarde van 8-10) worden dan via een in-dak montage systeem PV panelen aangebracht. Deze oplossing betekent een voldak PV systeem waarbij alleen nog aan de randen of helemaal geen dakpannen meer nodig zijn. Scheelt alleen al aan dakpannen leggen zo’n €50 per m2. Zowel voor isolerende dak-elementen, waterdichte in-dak systemen als de PV panelen zelf is er een keur aan keuzemogelijkheden.

Voor een plat dak geldt zelfs dat gedurende de levensduur van 30 jaar voor het PV systeem de dakbedekking tot wel 2 keer of meer vervangen moet worden. Met steeds die bijkomende demontage en montagewerkzaamheden.

Gerelateerde afbeelding

Het is verstandig om ook hier weer eerst het platte dak goed te isoleren. Om te voorkomen dat het isolatiepakket boven de opstaande muur uitsteekt en dat de muur zou moeten worden verhoogd, verdient de dunst mogelijke isolatie de voorkeur. Denk daarom aan de voordelen van een zeer dunne maar perfect isolerende aerogel deken. Werk het dak verder waterdicht af door het gebruik van EPDM rubber met een levensduur tot meer dan 50 jaar. Dan is het dak echt geschikt voor een PV installatie, waarbij bij plaatsing onder 15°, ook oost/west gericht, veel meer panelen mogelijk zijn.

Bescherming en regels; met het oog op de toekomst
De overheid zou er goed aan doen strikte voorwaarden te stellen aan de kwaliteit en effectiviteit van de isolatie van daken waarop met SDE+ subsidies PV panelen worden geplaatst. De isolatiewaarde van de dakconstructie zou minimaal een Rc van 10 moeten hebben. Dan wordt zowel het warmteverlies en daarmee de vraag naar energie voor verwarming teruggedrongen als de decentrale energieopwekking voor lange tijd goed  geregeld.

Maak werk van het ontzorgen
Ook de eerder genoemde organisaties die zich nu bezighouden met het aanbieden van de collectieve inkoop en doorverkoop van PV systemen tegen de laagst mogelijke prijs zouden er goed aan doen hun afnemers een totaal oplossing aan te bieden.

Bied de combinatie van een perfect geïsoleerd dak en een optimaal, dakvullend, PV systeem aan.

Vanzelfsprekend kan dat  in sommige gevallen betekenen PV in combinatie met de opwekking van warmwater (PVT) Maar echt af is het aanbod pas wanneer tevens een systeem voor de opslag van elektriciteit onderdeel uitmaakt van het aanbod. En dan niet een Lithium-Ion batterij met zijn risico’s en beperkingen. Een stationair opslagsysteem stelt andere eisen dan een mobiel/ verplaatsbaar opslagsysteem. Voor in huis ligt een  stationair systeem zoals een flow-battery meer voor de hand.