Watertekort ondanks wateroverschot

Water genoeg De hoeveelheid water op aarde is al tientallen miljoenen jaren gelijk. Water verdampt uit oceanen, zeeën en oppervlakte wateren en komt weer als regen of sneeuw op het land terecht. Water is er genoeg in de wereld, maar het probleem is dat 97,5 % zout en slechts 2,5 % zoet water is. Van dit zoete water is zo’n 65 % bevroren en maar 35% is beschikbaar als oppervlaktewater en grondwater. Veilig water bepaalt het   leven, het vormt een absolute voorwaarde voor het voortbestaan van mensen, dieren en planten.

Ontzouten/ontzilten verbruikt enorm veel energie Niet voor niets zijn beschavingen en volkeren vooral gevestigd aan zee of langs de oevers van een rivier. Om de groeiende bevolking van drinkbaar, zoet, water te voorzien worden wereldwijd, in al meer dan 150 landen, talloze ontziltingsinstallaties gebouwd. Het vereist enorme hoeveelheden energie om dat zoute water in stoom te veranderen waarbij het zout achterblijft om daarna de stoom/waterdamp te laten condenseren in water.

De meeste toegepaste technieken voor het ontzouten van water zijn, ‘omgekeerde osmose’, elektrodialyse, destilleren en de ionenwisselaar.[1]

Ook de huidige meest toegepaste en economisch gunstigste methode van ‘omgekeerde osmose’, gebruikt nogal wat energie. Gezocht wordt dan ook naar andere technieken en methoden. Nadeel van welke methode dan ook is dat er altijd grote hoeveelheden pekel overblijven. Het gevolg is dat op sommige plaatsen – in wat ondiepere wateren – het zoutgehalte al is verhoogd, waardoor het ontzilten weer moeizamer en duurder wordt.

Intensievere neerslag en verzilting Er doemen ook nog andere grote problemen op. Hoe warmer ons klimaat wordt des te meer water er verdampt en des te heviger de neerslag in de vorm van hoosbuien en sneeuwstormen wordt. Bedreigend is het gegeven dat door een stijgende zeespiegel en een inklinkende bodem de verzilting van landbouwgronden langs de kust onafwendbaar is geworden.

Gebruik van water Van alle water dat we dagelijks gebruiken houdt maar 2 % verband met het huishoudelijk gebruik en is 31 % gekoppeld aan en een gevolg van de consumptie van industriële producten. Maar liefst 67% is direct verbonden aan de consumptie van agrarische producten en daarvan is weer 46% nodig voor de productie van vlees en andere veeproducten.

Onze Nederlandse voetafdruk voor waterverbruik bedraagt niet minder dan 2.300.000 liter water per inwoner per jaar. Zo’n 90% daarvan wordt (als producten en diensten) geïmporteerd uit landen met waterschaarste zoals Spanje, Sudan, China en India. De groei van de wereldbevolking, vaak geconcentreerd in gebieden waar de waterschaarste al enorme proporties heeft aangenomen, zorgt voor een toenemende schaarste aan veilig, drinkbaar, water.

In 2025 wonen bijna 2 miljard mensen in gebieden waar een gebrek is aan water. Hun bereidheid om dat schaarse water dan te gebruiken voor de productie van exportgoederen neemt steeds verder af.

Minder consumeren Wereldwijd is zuinigheid geboden. Beperken van het directe gebruik van drinkwater in Nederland is niet genoeg. Juist door onze enorme watervoetafdruk zullen we ook de consumptie van industriële en agrarische producten, die onevenredig veel water nodig hebben, aanzienlijk moeten terugbrengen.

Door het terugtrekken van gletsjers en omdat de sneeuw in berggebieden ieder jaar opnieuw in nog kortere tijd weer weg smelt, is gespreide aanvoer en gelijkmatige voeding van rivieren gedurende het jaar op langere termijn niet meer gegarandeerd.  Door periodiek lage waterstanden en beperkte debieten van rivieren ligt verdroging van gebieden op de loer.

Aard en snelheid veranderingen onzeker Het is onvoorspelbaar wanneer en hoe snel de hoeveelheid smeltwater afneemt. Valt overvloedige neerslag in berggebieden straks in de vorm van regen of sneeuw? Wat is het effect op de stijging van de temperatuur als sneeuw minder lang blijft liggen? Wat zijn de gevolgen als door de afname van de weerkaatsing van de zonnestralen de donkere steenmassa’s de warmte sneller absorberen? Wat zijn de gevolgen op langere termijn van veranderingen in temperatuur en windrichting?

Dat er forse veranderingen gaan plaatsvinden staat vast, al is het tempo onzeker; afhankelijk van plaatselijke factoren gebeurt dat binnen 2 of 3 decennia. Het gaat gebeuren, dat staat vast. En dit heeft ingrijpende gevolgen voor de directe watervoorziening, dalende voedselproductie door periodieke overstromingen of droogte, minder elektriciteit uit stuwmeren, wegtrekkende bevolking en conflicten die de strijd om zoet drinkbaar water oproept met andere landen.

Lessen In droge gebieden, waar de waterkwantiteit en dus ook de waterkwaliteit wisselt met de seizoenen, zullen de problemen zich verder opstapelen. In de droge perioden vormt gebrek aan veilig water nu al voor veel ziekten en zieken. Niet alleen omdat het water dat noodgedwongen wordt gebruikt eigenlijk ongeschikt is als drinkwater, omdat het teveel ziektekiemen en verontreinigingen bevat, maar ook omdat het gebrek aan veilig water normale, minimale hygiënische handelingen als handen wassen onmogelijk maakt. Dit gebrek aan hygiëne leidt dan weer tot veel ziekten,  diarree en verzuim.

Neveneffecten van waterschaarste Veel mensen die in droge gebieden wonen hebben nu nog bijna een dagtaak aan het ‘water halen’. Zou er voldoende schoon en veilig water in de directe nabijheid beschikbaar zijn dan kunnen deze mensen hun tijd besteden aan onderwijs, het zelf verbouwen van voedsel en het verwerven van inkomsten.

Voldoende schoon en veilig water in de directe nabijheid In principe is dat mogelijk door in het regenseizoen regenwater op te vangen en op te slaan in grote collectieve, gesloten, opslagreservoirs. Dat water moet voor gebruik worden gereinigd.

Daarvoor bestaat in zonovergoten gebieden een simpele methode;  vul PET flessen met water uit het opslagreservoir, leg die flessen met de dop naar beneden op een schuin liggende metalen plaat in de volle zon. De UV-A straling doodt binnen een etmaal alle aanwezige virussen, bacteriën en parasieten en is het water veilig drinkbaar. (Zwitserse methode SODIS; Solare Wasserdesinfektion)

In het volgende deel wordt ingegaan op de situatie in Nederland.[1] https://www.lenntech.nl/ontzilting.htm#ixzz54Rbhhnzk

Dit artikel werd eerder, op 18-01-2018, gepubliceerd als blog op VIBAEXPO.nl

Moeten onze huizen van het aardgas af? Of leggen we het accent op het beperken van de uitstoot van CO2 ?

Door de oplopende concentratie van CO2 in de lucht is er sprake van een gestage opwarming van de aarde. De toenemende opwarming heeft flinke consequenties voor de leefbaarheid op aarde. Grote gebieden kunnen door te hoge temperaturen, te weinig neerslag, hevige stormen of frequente overstromingen onleefbaar worden. De habitat van dieren en planten zal veranderen en door hun wederzijdse afhankelijkheid zal de biodiversiteit wereldwijd verschralen.
Ook het leven van miljoenen mensen zal door een afnemend leefgebied onomkeerbaar veranderen. Zowel op regionale als mondiale schaal ontstaan enorme humanitaire problemen op het gebied voeding, water, gezondheid en bestaansmogelijkheden. Verwacht wordt dat grote stromen van miljoenen klimaatvluchtelingen op gang komen. Mensen trekken, als milieuvluchteling en onschuldig aan de oorzaken van alle ellende, massaal weg uit de gebieden die langzaam maar zeker onleefbaar worden.

Om deze gevolgen van de toenemende CO2 in de atmosfeer tegen te gaan is er in Parijs door de regeringsleiders van vrijwel alle landen afgesproken de oorzaak van deze ontwikkeling weg te nemen. Een zeer belangrijke oorzaak en bron voor de toename van CO2 is het gebruik van fossiele brandstoffen. Een logische consequentie is dat het gebruik van fossiele brandstoffen flink moet worden teruggeschroefd.
Lange tijd is de relatie tussen de opwarming van de aarde/ toenemende concentratie van CO2 in de atmosfeer en het gebruik van fossiele brandstoffen genegeerd/ontkent/ gebagatelliseerd. De hele wereld gebruikt voor verwarmen, koelen, transport en producten en productieprocessen fossiele brandstof. Deze was relatief eenvoudig te winnen, in verschillende vormen beschikbaar en op diverse manieren toepasbaar.
In het recente verleden is duidelijk geworden dat de voorraden van al die verschillende fossiele brandstoffen weldegelijk eindig zijn en dat daardoor de beschikbaarheid en betaalbaarheid echt niet altijd meer gegarandeerd zouden kunnen worden. En omdat niet overal ter wereld voorraden van fossiele brandstoffen beschikbaar waren, werd er hevig gehandeld in deze producten. De beïnvloeding van levering, beschikbaarheid en prijs werden ingezet als wapen/drukmiddel bij geopolitieke conflicten of het najagen van kapitalistische groei ambities.
Zo werd Nederland door de oliecrisis in de jaren 80 gedwongen maatregelen te treffen om het gebruik van olie en ook andere energie, zoals aardgas, direct terug te dringen. Er werd opgeroepen om het gebruik van olie en gas voor het verwarmen van woningen en gebouwen te verminderen. De kierenjacht vormde in die jaren de basis voor de isolatie maatregelen. Als gevolg van die kierenjacht ontstonden er in de woningen problemen met vocht en schimmel en nam de kwaliteit van de lucht binnen door onvoldoende aanvoer van frisse lucht af.

Hierdoor, een gevolg van het gebrek aan voldoende maar gereguleerde ventilatie, kreeg isoleren ook een negatieve klank. Mede daardoor heeft het nog vele jaren geduurd voordat het vergaand beperken van het gebruik van fossiele brandstoffen, eenvoudig door beter isoleren van nieuwbouw woningen, in de bouwregelgeving werd opgenomen.

In de jaren 70 was er, buiten de wetenschappelijke wereld, weinig bekend over de relatie tussen het gebruik van fossiele brandstoffen en de CO2 uitstoot. Dat verklaart dat in de bouwwereld en de bouwregelgeving van de overheid, de relatie tussen de vraag naar fossiele brandstoffen voor bijvoorbeeld verwarming en gevolgen voor het klimaat nog helemaal niet werd gelegd.

Het duurde tot 1992 toen in het Bouwbesluit, overigens gebaseerd op NEN 1068 uit 1981 (!),voor het eerst rekening werd gehouden met het beperken van warmteverliezen. Toen werd de eis voor de warmteweerstand, de Rc-eis, voor bouwdelen gebracht op 2,5 W/m2·K. In december 1995 kwam de Energie Prestatie Coëfficiënt in het Bouwbesluit en moesten nieuwbouw woningen voldoen aan de EPC-eis van 1,4. Die eis werd in 20 jaar, stapsgewijs verlaagd; in 1997 (1,2), 2000 (1,0), 2006 (0,8), 2011 (0,6) en 2015 (0,4)
Bij het vaststellen van de EPC werd in de rekenmethode aan goede isolatie minder ‘rekenwaarde’ toegekend dan aan het installeren van allerlei technische installaties. “Hoe meer installaties, des te beter” leek het devies. Er werd geen rekening gehouden met het jaarlijkse verbruik, het onderhoud en zeker niet met de kosten van de op termijn noodzakelijke vervanging van installaties. Het gebrek aan goede en voldoende isolatiemaatregelen in ontwerpen en bestekken, kon met het installeren van enkele PV panelen simpel rekenkundig worden gecompenseerd. Met als gevolg slecht geïsoleerde huizen vol dure en energievretende installaties en een niet echt gezond binnenklimaat.

Bron: Stichting PassiefBouwen

De EPC eis, bedoeld als ondergrens, werd door veel opdrachtgevers, bouwers en ook overheden direct als maximale verplichting gezien. Door “onvolkomenheden in de ontwerpen” en door “slordigheden en fouten tijdens de bouw”, bleken en blijken woningen en andere gebouwen na oplevering nog steeds vaak meer energie te verbruiken dan “op papier” was berekend en waarvoor de vergunning werd verleend.

Pas na 10 jaar wordt in 2012 dan eindelijk de Rc-eis voor bouwdelen verhoogd van 2,5 naar 3,5 W/m2·K. En in 2015 volgt de invoering van de gedifferentieerde thermische isolatie-eis met een Rc voor de vloer van 3,5 W/m2·K, voor de wanden een Rc van 4,5 W/m2·K en voor het dak een Rc van 6,0 W/m2·K.
Ondanks de toegenomen kennis en inzichten, de ontwikkeling van allerlei nieuwe producten en materialen, veranderingen in ontwerpen en processen blijft in de nieuwbouw het verbruik van energie voor verwarmen en koelen relatief hoog. En dat duurt nog even. Want de eisen voor een “Bijna Energie Neutraal Gebouw” worden pas per januari 2021 van kracht en vanaf dat moment moeten alle nieuwbouw- woningen voldoen aan die BENG eisen. Maar helaas is in het verleden gebleken dat nieuwe, verdergaande eisen geen garantie vormen voor een dalend energieverbruik. Ook een strikte toepassing van de BENG eisen zal niet automatisch leiden tot een woningbouw waarin het energieverbruik voor verwarmen en koelen nadert naar nul.

In het verleden is de bouwsector er, in samenwerking met de installatiebranche, steeds in geslaagd om de invoering van strengere eisen die zouden moeten leiden tot een lager energieverbruik in woningen te traineren. En zolang het winnen van aardgas zonder problemen verliep en het een aardige bron van inkomsten vormde voor de staat, vond men in Den Haag een willig oor voor die “overwegingen” en werd gewoon toegegeven.

En nu moeten beleggers, corporaties en woningeigenaren alsnog flink aan de bak om de schadelijke milieuhygiënische en financiële gevolgen van deze schijnwinst te herstellen, door het energieverbruik voor verwarmen en koelen toch nog te verminderen.
Dit is zo wrang, zeker als je bedenkt dat er m.n. in Duitsland al eind jaren 90 zogenoemde Passiefhuizen verschenen. Hierbij ligt het accent op het vergaand beperken van de warmtevraag door de warmteweerstand van de onderdelen van de schil te stellen op Rc ≥ 6,5 tot Rc = 10 voor het dak. Nota Bene: dat was al in de jaren ’90!!
Door deze optimale isolatie is het energieverbruik in passiefhuizen voor verwarming 10 x lager dan in de bestaande woningvoorraad en 4 tot 5 x lager dan onze huidige nieuwbouw woningen. Het totale energieverbruik voor verwarmen en koelen is voor een Passiefhuis maximaal 15 kWh/m2 ofwel 1,5 m3 aardgas per m2 vloeroppervlak. Een haarföhn is dan voldoende om een passiefhuis van 100m2 vloeroppervlakte te verwarmen. De totale primaire energiebehoefte voor alle apparaten in een passiefhuis is, van keukengerei, ventilatie, verlichting inclusief warmwater, koelen en verwarmen, samen 120 kWh/m2.
Met de bestaande materialen en bouwsystemen is dit concept ook geschikt en haalbaar voor de aanpak van de bestaande woningvoorraad. Het leidt tot vermindering van de vraag naar energie voor verwarmen en koelen met maar liefst 90%.

En natuurlijk, bij het bouwen volgens de passiefhuis eisen wordt in ieder geval probleemloos voldaan aan de verplichte BENG eisen voor nieuwbouw die vanaf januari 2021 van kracht zijn.
Het vooraf bedenken wat er gedaan moet worden om verbruik blijvend te minimaliseren, onder het motto “voorkomen is beter dan genezen”, geheel in de lijn van de Trias Energetica, is natuurlijk ook bij renovaties van de bestaande woningvoorraad mogelijk. Bestaande woningen renoveren tot een ‘passiefhuis standaard’ kan (en zal vermoedelijk ook) een hogere investering vergen dan de traditionele renovatie.

Maar het betrekken van de “total costs of ownership” in de afwegingen, het meerekenen van ‘waardecreatie’ door een hogere woningwaarde, de opbrengsten van het verlengen van de levensduur, het beperken van het gebruik van energie en water verandert “het financiële plaatje”. En bereken vooral ook de effecten van het ombouwen van bestaande woningen tot woningen met een echt gezond binnenklimaat. Betrek in die berekeningen niet alleen de afgeleide voordelen en besparingen op het gebied van milieu, klimaat, (mitigatie én adaptatie) en het behoud van sociale cohesie maar vooral ook de kosten van gezondheidszorg, zorg en welzijn.

De uitkomsten van dergelijke rekensommetjes over Maatschappelijke Kosten Baten analyses met een lange looptijd zouden voor de (rijks-) overheid een goede reden kunnen vormen om het renoveren en isoleren tot ‘passiefhuisniveau’ verplicht te stellen. Tegelijkertijd zou de overheid de betaalbaarheid van die isolerende werkzaamheden voor marktpartijen en eigenaar/bewoners, bij voorkeur via fiscale maatregelen en door aantrekkelijke vormen van “gebouwgebonden voorfinanciering”, moeten garanderen.
Uitgangspunt in de discussies moet niet langer zijn: “We moeten van het gas af, dus hoe gaan we nu verwarmen en koelen”? Centraal moet staan de vraag: “Welke maatregelen moeten we treffen om het gebruik van energie voor verwarmen en koelen fundamenteel en structureel te minimaliseren en tegelijkertijd in alle uitmuntend geïsoleerde woningen een gezond binnenklimaat te garanderen”?
Als die maatregelen (bij iedereen) bekend zijn, weten we ook welke wet- en regelgeving er moet komen, zodat / waardoor de implementatie van die maatregelen, op zowel technisch, financieel als maatschappelijk vlak, als zeer wenselijk en vanzelfsprekend wordt beschouwd.

Als de bestaande woningvoorraad de komende 30 jaar planmatig buurt voor buurt en wijk voor wijk langzaam maar zeker wordt en is omgetoverd tot comfortabele en zeer energiezuinige of zelfs energieleverende woningen heeft niemand er problemen mee dat de gasaansluiting verdwijnt. Dat gas is immers nergens meer voor nodig. Het verbruik is geminimaliseerd, het duurzaam opwekken van energie gebeurt per woning en per buurt.

De collectieve opslag van dagelijkse en seizoensoverschotten hebben de bewoners van buurten en wijken als vereniging van eigenaren onder voor hen aantrekkelijke en rechtvaardige condities in opdracht gegeven aan gespecialiseerde leveranciers en beheerders.

Niet de belangen van de leveranciers van machientjes en installaties of van de eigenaar/beheerders van netwerken moeten leidend zijn, maar de belangen van de bewoners van Nederland!!!

Ventileren, maar dan wél goed en weg met de ‘open keuken’

Natuurlijke ventilatie
We kennen het liedje wel; “Hoor de wind waait door de bomen, hier in huis zelfs waait de wind.” Natuurlijke ventilatie ten voeten uit. Maar weinig comfortabel. Om de kamertemperatuur op niveau te houden werd de kolenkachel extra opgepookt en wat jaren later werd de thermostaat wat hoger gezet. Tijdens de eerste oliecrisis bleek hoe kostbaar deze manier van ventileren en stoken was. Dus ging Nederland op kierenjacht. Zonder die ventilatiekieren was weliswaar de tocht en het warmteverlies minder maar vocht werd onvoldoende afgevoerd en hoopte zich in huis op. Dat leidde tot schimmel vorming en uiteindelijk een ongezond binnenklimaat.

Mechanische ventilatiesystemen
Van lieverlede werden de isolatie-eisen verder aangescherpt en kwamen er, noodgedwongen, nieuwe, mechanische, ventilatiesystemen op de markt.

Bij mechanische aanvoer van verse buitenlucht (systeem B) in een of twee vertrekken wordt de binnenlucht in de overige vertrekken door de overdruk die wordt gecreëerd via kieren en luchtlekken naar buiten gedrongen.

Bij de mechanische afvoer van de gebruikte binnenlucht (systeem C) wordt de lucht via een of enkele ruimten (badkamer/keuken) afgezogen, waarna de lucht uit de overige vertrekken via de overdruk via diezelfde ruimten wordt weggetrokken en afgevoerd.

Onderzoek Monicair
Uitgebreid praktijkonderzoek van Monicair heeft aangetoond dat ook bij de mechanische ventilatiesystemen B en C een gezonde binnenlucht onvoldoende is te realiseren laat staan te garanderen. (Monicair; een consortium van Leveranciers Ventilatiesystemen, TNO, TU/D, div. adviesbureaus)

Bovendien voeren deze mechanische ventilatie installaties mét de gebruikte binnenlucht ook de warmte af, met extra energiegebruik als gevolg.

Om aan eisen van zowel energieprestatie als luchtkwaliteit te kunnen voldoen moet een moderne ventilatie installatie minimaal beschikken over een warmte-terug-win systeem. (WTW-systeem) Het eerder genoemde onderzoek heeft verder aangetoond dat een goede binnenlucht kwaliteit (800 tot maximaal 1000 ppm CO2) in de verschillende vertrekken alleen mogelijk is wanneer in ieder vertrek zowel tenminste een aanvoer- als een afvoerpunt aanwezig is. (systeem D+)

Sensor gestuurde ventilatie
En dan nog is de kwaliteit van de binnenlucht alleen te garanderen als niet alleen op de CO2 concentratie wordt gestuurd. Een gezonde binnenlucht is alleen te garanderen wanneer deze in ieder vertrek, via metingen met sensoren, zowel CO2 -concentratie, als de relatieve vochtigheid als de temperatuur wordt gestuurd.

Met deze “noodzaak gestuurde ventilatie” hoeft niet, zoals het nu geregeld is, 24/7 alle lucht in het gehele huis permanent te worden vervangen. Alleen in die vertrekken waar een, of een combinatie van de 3 aspecten boven de grenswaarde komt, wordt de lucht zolang ververst, totdat een luchtkwaliteit ver onder de grenswaarden is bereikt. Door te ventileren tot ver onder de grenswaarden wordt voorkomen dat het ventilatiesysteem te frequent aan- en uitschakelt. Op deze wijze ventileren, ventileren waar dat nodig is en zolang dat nodig is, bespaart zowel op de capaciteit, als op de productie uren van de installatie, als op het energiegebruik.

Mechanische filters
Om te voorkomen dat meegevoerde deeltjes uit de “verse buitenlucht” de leidingen van het ventilatiesysteem vervuilen zijn zogenoemde balansventilatiesystemen (systeem D+) standaard uitgevoerd met ten minste grofmazige filters. Om de aanvoer van “schone” verse buitenlucht te garanderen is een combinatie van grofmazige met fijnmazige filters wenselijk. Het gebruik van dergelijke mechanische filtersystemen hebben als nadeel dat zij een drukval veroorzaken waardoor de ventilatoren extra energie gaan gebruiken.

Alternatieve filtersystemen
Er zijn ook alternatieve filtersystemen op de markt die zijn gebaseerd op elektrostatische principes. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen passieve elektrostatisch geladen filters en actieve elektrostatische filtratie.

Bij passieve systemen krijgt het filtratiemateriaal bij de productie een elektrostatische lading mee. Het verschil in lading tussen filtermateriaal en verontreinigingen zorgt voor een beter afvang van kleinere partikels, zonder de daarbij behorende hoge drukval, zoals bij fijnmazige mechanische filters het geval is. Na verloop van tijd loopt de werking en effectiviteit van deze systemen echter aanzienlijk terug en is vervanging van de filters noodzakelijk.

Bij actieve elektrostatische filtratiesystemen ontbreken de mechanische grof- en fijnmazige filters en wordt rechtstreeks aan de vervuilende stoffen in de aangevoerde ‘verse’ buitenlucht een elektrostatische lading gegeven. Deze stand-alone systemen bestaan al lange tijd maar zijn pas recentelijk te koppelen aan balansventilatiesystemen.

Verschil in prestaties
Zijn met mechanische filters verontreinigingen tot ongeveer 7 micron af te vangen, met elektrostatische filtersystemen zijn nagenoeg alle deeltjes van 0,1 micron en ook veel vervuilende deeltjes vanaf 0,01 micron uit de lucht te verwijderen. Dat betekent dat huisstofmijt, bacteriën, aerosolen, pollen en vliegas geen kans meer krijgen en ook virussen en minieme in de lucht zwevende oliepartikels en vooral fijnstof uit de aangevoerde lucht worden weggezuiverd.

Koken en Fijnstof
Uit onderzoek van TNO en de TU/D, dat nog steeds loopt, is gebleken dat bij koken en vooral bij braden en bakken (vlees, vis, aardappelen, ei etc.) veel fijnstof in de woning terecht komt. De hoeveelheid is zo groot dat de advieswaarde van de WHO voor de maximale concentratie fijnstof met een factor van meer dan 60 wordt overschreden.  Erger is dat deze fijnstof, als minieme partikels uit het bakvet, nog uren in de lucht in de woning blijft hangen. Met het ventilatiesysteem op de hoogste stand duurt het dan nog ruim 3 uur, voordat meer dan 95% van die fijnstof uit de woonkamer is verdwenen.

De recirculatieafzuigkap
Vaak wordt de recirculatiekap gekozen omdat daarmee “de warmte niet verloren gaat”.

Bij veel mensen is onbekend dat een recirculatieafzuigkap wel de geur maar niet de verbrandingsgassen afvangt. Bij koken op aardgas heeft dit extra negatieve effecten omdat ook de stikstofdioxide (NO2) weer de woning wordt ingeblazen. Ook bij elektrisch koken biedt de recirculatiekap geen soelaas; de filters van dat soort afzuigkappen vangen beperkt fijnstof af en blazen vocht en fijnstofdeeltjes weer de ruimte in.

In principe presteert een afzuigkap, van voldoende afmetingen (groter dan de kookplaat)  en met voldoende vermogen (minimaal 300 m3/uur tot 600 m3/uur), alleen goed als de afgezogen lucht met hoge snelheid, rechtstreeks, via een leiding (Ø 150 mm) liefst zonder bochten, naar buiten wordt afgevoerd. Er komt dan vrijwel geen fijnstof in de ruimte en de afzuigkap hoeft dan alleen tijdens het koken en bakken aan te staan.

Niets nieuws onder de zon
De Building Science Corporation vergeleek al in 2013 verschillende uitvoeringen van gebalanceerde ventilatiesystemen met elkaar. In het rapport wordt het afvoeren van kook- en baklucht uit de keuken via het ventilatiesysteem absoluut afgeraden. Gesteld wordt dat voor een goed werkend, energie efficiënt, gebalanceerd ventilatiesysteem, extra en aparte afzuigsystemen in keuken en badkamer noodzakelijk zijn. De gebruikte vervuilde lucht uit die ruimten (fijnstof en vochtlast) voeren die systemen rechtstreeks naar buiten af. Deze keuze is gebaseerd op het bereiken van gezonde binnenlucht en vanwege de eisen die de ventilator stelt en om vervuiling van de warmtewisselaar en de leidingen te voorkomen. Voor de badkamer gelden soortgelijke overwegingen maar dan gebaseerd op de vochtlast en condensatieproblemen.

3

Risico’s fijnstof
Fijnstof heeft forse gezondheidsrisico’s. Gebleken is dat er, zeker op langere termijn, een rechtstreeks verband bestaat tussen fijnstof (PM) en het sterfterisico onder andere door hart- en vaatziekten. Ultrafijn stof (PNC) dat ook bij bakken en koken vrijkomt gaat via de longen naar de bloedbaan en kan daar voor ontstekingsreacties en bloedstolsels zorgen. Onlangs is gestart met een onderzoek naar de gezondheidseffecten van ultrafijnstof bij kinderen nabij Schiphol.

Zie animatiefilmpje op: https://nos.nl/artikel/2207573-kinderen-bij-schiphol-onderzocht-op-gezondheidseffecten-ultra-fijnstof.html

Conclusies

  1. Een goede luchtkwaliteit in verblijfsruimtes is niet gegarandeerd zelfs niet als wordt voldaan aan de huidige wet- en regelgeving.
  2. De wet- en regelgeving inzake ventilatie systemen moet op korte termijn worden aangepast en aangescherpt zodat zowel bij nieuwbouw als renovatie verplicht wordt gesteld:
  • een balansventilatiesysteem met WTW
  • per vertrek aanvoer van verse lucht en afvoer van gebruikte lucht
  • per vertrek via sensoren CO2, relatieve vochtigheid als temperatuur sturen
  • een ‘passief elektrostatisch filter’ onderdeel vormt van het ventilatiesysteem
  • in keuken de lucht van afzuigkap rechtstreeks naar buiten wordt afgevoerd
  • in badkamer de vochtige lucht rechtstreeks naar buiten wordt afgevoerd
  1. Het onderzoek van Monicair-consortium geeft aan dat een gezond binnenklimaat alleen is te garanderen wanneer een balansventilatiesysteem met WTW is geïnstalleerd en ieder vertrek beschikt over zowel aanvoer van verse lucht als afvoer van gebruikte lucht.
  2. Met “noodzaak gestuurde ventilatie”, door via metingen met sensoren, zowel CO2 -concentratie, als de relatieve vochtigheid als de temperatuur computer geregeld automatisch bij te sturen, hoeft alleen in die vertrekken waar de grenswaarden worden overschreden de lucht te worden ververst.
  3. Het aanbrengen van een additioneel ‘passief elektrostatisch filtersysteem’ is, zeker in gebieden met hoge concentraties fijnstof voor een gezonde binnenlucht noodzakelijk.
  4. Om vervuiling te voorkomen en ter bescherming van de warmtewisselaar dient zowel de aangevoerde als de afgevoerde lucht gefilterd te worden.
  5. In keuken en badkamer is een separate afzuiging en directe afvoer naar buiten noodzakelijk.
  6. De verkoop en het gebruik van de recirculatieafzuigkap moeten met het oog op de binnenlucht kwaliteit op korte termijn worden gestaakt respectievelijk uitgefaseerd.
  7. Bij nieuwbouw mag een ‘open keuken’ slechts worden gerealiseerd wanneer het ventilatiesysteem voldoet aan de hoogste eisen en de lucht van de afzuigkap rechtstreeks naar buiten wordt afgevoerd.